Alleen de kikker kwaakt

Het is al maanden stil in de vijver, behalve een enkele kikker beweegt er niets. Ooit was het een drukte van jewelst met tien grote windes die het wateroppervlak in beroering brachten en om de dag hun handje vissenvoer kregen. Af en toe landde er een reiger op de rand van de vijver, maar hond Benthe pikte dit niet en verjoeg luid blaffend de vijand.

Ergens in het voorjaar werd het stil rond de vijver, akelig stil. Geen reiger meer, geen vissen meer, geen vissenvoer meer. Heel af en toe, in de ijdele hoop dat er toch nog een vis rond zwom, gooiden we wat korrels in het water. Je weet maar nooit, je wilt ook niet dat ze van honger dood gaan. Er gebeurde niets, behalve die ene kikker die het rijk alleen had.

Tot we een paar dagen geleden een kopje thee dronken bij de vijver en kringen op het water zagen. Met ingehouden adem slopen we dichterbij. Er zwom iets, een vis, twee vissen, drie, vier, zeven, nee nog veel meer, niet meer te tellen zoveel. In allerlei maten, van piep tot reusachtig. Er had zich een wonder voltrokken, de windes hadden zich in stilte voortgeplant.

Ze krijgen nu weer om de dag voer, niet meer één maar drie handjes, want het is een grote school. Zij blij, wij blij. Alleen de kikker kwaakt verontwaardigt, die is zijn rust kwijt.

Wachten op het einde van de vloed

Het podium is klaar, de lampen hangen hoog in de masten, de loopplank voor de bezoekers verbindt het labyrint van de kerk in Oosterwijtwerd met de tribunes. De komende maand wordt hier de  muziektheatervoorstelling De Grote Vloed gespeeld. Morgen gaan ze los.

In een ver verleden, vóór de komst van dijken, is Groningen meerdere keren getroffen door enorme overstromingen. Duizenden mensen en dieren zijn toen omgekomen. Het waren barre tijden.

Het belooft een spektakel te worden. Ik stel me voor dat het water in woeste golven over het podium raast, vergezeld door donder en bliksem en de hulpkreten van mensen die vluchten voor hun leven. En ik stel me voor dat het aan het eind van de voorstelling toch allemaal goed komt, zodat de bezoekers met een goed gevoel huiswaarts gaan.

Dit alles vindt plaats op gehoorsafstand van mijn huis. Waait de wind uit het oosten, dan zal ik alles letterlijk kunnen verstaan en zal de watersnoodramp me een maand lang beroven van mijn avondrust. Maar mij hoor je niet klagen, want ik hoef geen kaartje te kopen en ben er tóch bij.

Schimmen

Ik ben bij de oogarts voor mijn 44e prik. De wachtkamer is leeg, dat betekent dat ik snel aan de beurt ben. Niets ergers dan een half uur moeten wachten en de spanning in mij voelen stijgen. De prik gaat goed en ik verlaat opgelucht het ziekenhuis om in de stad nog een boodschap te doen.

afbeelding: vage bomen in de mist

Hé, wat zie ik slecht, gaat er door me heen als ik op de fiets stap. Dat zal zo wel wegtrekken, zeg ik geruststellend tegen mezelf. Maar het trekt niet weg. Als ik in het centrum ben aangekomen, vertrouwend op mijn goede oog, ziet mijn slechte oog alleen nog maar schimmen. Schimmen van mensen, schimmen van auto’s, schimmen van gebouwen. Wat is er aan de hand, dit heb ik nooit eerder gehad.

Wat nu? Ga ik naar huis of ga ik terug naar het ziekenhuis. Wat is wijs? Ik weet het niet en besluit het ziekenhuis te bellen. Kom maar terug, dan laten we een arts ernaar kijken, is de reactie. Zo gezegd zo gedaan. De schimmen blijken het gevolg van alle druppels die ik gehad heb vóór de prik. Het zal zichzelf oplossen, maar dat duurt nog even.

Voor de tweede keer verlaat ik het ziekenhuis, opgelucht maar wel met de schrik in mijn lijf. Zou het kunnen dat mijn oog ooit zo slecht wordt dat ik alleen nog schimmen zie? Geen idee. Voor nu hou ik me maar vast aan de geruststellende woorden van de oogarts, dat dit niets met mijn maculadegeneratie te maken heeft.

Ze had trouwens gelijk, de schimmen zijn helemaal verdwenen.

Waarom?

Ik ben op een feestje en praat bij met een kennis. Tegenover me aan de picknicktafel zit haar zoon, jaar of 17-18 schat ik, we kennen elkaar niet. Ik plaag hem wat, hij kan het wel waarderen. Al snel staat hij op om te gaan volleyballen. Een tijdje later sta ik een wijntje in te schenken als hij naar me toekomt. Mag ik je wat vragen, zegt hij, waarom is jouw ene brillenglas donkerder dan de andere? Ik leg het uit en hij knikt begripvol.

afbeelding:
bril met één donkerder glas

Jeetje wat goed dat hij dit vraagt, denk ik als hij weer weg is. Het glas voor mijn oog met maculadegeneratie is donkerder dan het andere glas. Als ik mezelf terug zie op een foto vind ik het heel opvallend. Ik zie mensen er wel naar kijken, maar zelden vragen ze er naar. Dat voelt wel eens ongemakkelijk. Een grappige uitzondering was de keer dat een mij onbekende man me vroeg of ik wel wist dat ik een brillenglas verloren was. Ik had volgens hem maar één donker glas in plaats van twee. We konden er samen hartelijk om lachen.

Het gemak waarmee deze jonge knul het me vraagt ontroert me. We hebben maar even contact gehad, maar dat is voor hem voldoende om de vraag te stellen. Zo makkelijk kan het zijn.