Onzekerheid

Vier jaar lang hield mijn oog zich goed. De maandelijkse injecties met Eylea deden hun werk. Ook al verdween het vocht in mijn oog niet, mijn zicht bleef stabiel. Tot de laatste controle bij de oogarts, toen het vocht toegenomen bleek te zijn. Paniek in de tent, de oogarts in opleiding ging overleggen met zijn supervisor en liet mij in onzekerheid achter.

Na tien ongemakkelijke minuten kwam hij terug met de boodschap dat ik vanaf nu injecties met het middel Vabysmo zou krijgen in een poging het vocht weer te verminderen. Ik schrok ervan, want betekende dit een achteruitgang van mijn oog? De arts, een man van weinig woorden, te weinig eigenlijk, kon daar geen uitspraak over doen. Ik moet tot december wachten op het antwoord.

Sindsdien spreek ik mezelf geruststellend toe: “Ingrid, loop niet op de zaken vooruit, misschien valt het allemaal reuze mee, ze kiezen niet voor niets voor dit middel, het is vast nog beter dan de vorige en als het niet helpt hebben ze vast nog wel wat anders achter de hand”.

Werkt dit? Overdag wel, ’s nachts niet.

Gespleten

Ik ga naar mijn eerste yoga les na de vakantie. Ik heb geaarzeld om te gaan omdat de kneuzingen en bloeduitstortingen nog niet weg zijn (lees mijn blogje: gekneusd en geschaafd…). Kon ik het allemaal niet erger maken door wel te gaan of zou het als ik heel voorzichtig deed juist goed voor me zijn? Ik wist het niet, dus ben ik maar gegaan.

Het was van allebei een beetje. Sommige oefeningen kon ik pijnloos doen, anderen deed ik half mee. De linkerhelft van mijn lijf genoot, de rechterkant protesteerde: “nee niet je arm zo ver omhoog doen; nee niet op je elleboog leunen; nee niet op je rug liggen”. Ik voelde me gespleten. Links zei ja, rechts zei nee en dat in één lichaam, het mijne .

Tijdens de afsluitende meditatie heb ik stilletjes een traan gelaten.

.

Gekneusd en geschaafd

Ik fiets over de Grote Markt in Groningen en opeens lig ik op de grond. Onderuitgereden door een fietser die van rechts komt. Ik bont en blauw, hij geen schammetje. In de chaos van lopende, fietsende, in de weg staande en patatetende mensen heb ik hem niet zien aankomen. Hij mij duidelijk ook niet.

Hij stopt en vraagt hoe het met me gaat. Ik, in shock, heb er geen antwoord op, ben vooral blij dat ik nog leef. Twee vrouwen helpen me overeind, waarna ik gelijk door mijn rechterbeen zak. Die heeft de klap opgevangen en protesteert heftig. Strompelend hijs ik mezelf weer op de fiets, ik wil naar huis.

In de dagen die volgen verschiet ik van kleur. Op een knie verschijnt behalve een schaafwond ook een blauwzwarte bloeduitstorting, op een heup overheersen donkerpaars en rood met een zwelling. Maar dit is nog niets vergeleken met een elleboog waar rood, zwart, licht blauw en groen de show proberen te stelen.

Ik wist niet dat ik zoveel kleuren in me had.

Brandtourisme

Japie, je mag niet te ver het water in hoor!

Lieverd, zal ik je even insmeren?

Wat een heerlijk plekje is dit hè.

Japie, je bent te ver! Hier komen!

Lieverd, weet jij waar die rook vandaan komt?

Oh, is dat nou zo’n bosbrand.

Wat gaaf, vanaf hier kunnen we het goed zien

Zal ik bij het stalletje wat lekkers gaan halen?

Japie, waar heb jij trek in?

Op zich

“Het is op zich lekker weer” hoor ik mezelf zeggen als ik thuiskom van een wandeling met de hond. Hè, waarom zeg ik nou “op zich”? Dat voegt toch niets toe, dat het lekker weer is zegt toch genoeg? Ik raadpleeg AI (ja, ik ga met mijn tijd mee). Die vindt het een grammaticaal prima zin. Dat is fijn, maar toch bevalt de zin me niet.

Vanochtend toen ik opstond miezerde het, tijdens de wandeling druppelden de bomen nog na. Zou het kunnen dat ik daarom ‘op zich’ zei? Dat ik eigenlijk bedoelde: “het weer was goed, maar het inmiddels gestopte buitje nog voelbaar”. Of vond ik dat te veel woorden voor iets wat ik helemaal niet erg vond. Integendeel, ik genoot ervan.

Op zich zou ik hier nog uren over kunnen mijmeren, maar dat doe ik niet. Het is tijd voor de lunch en de tweede wandeling van de dag. Het is lekker weer.