Bescheiden

Een goeie vriendin is op zoek naar nieuwe woonruimte. Ik bied aan haar te helpen zoeken. ‘Er is toch niets te vinden’ sombert ze. “Oh, maar dan ken je mij nog niet, als ik me ergens in vastbijt laat ik niet meer los”.

Ze wil een benedenwoning. Die zijn schaars, ontdek ik al snel, maar ze zijn er wel. Ik speur dagelijks internet af en stuur linkjes naar haar door. “Kijk hier eens naar, zoek je zoiets?” Ze wikt en weegt, haar woonwenzen worden steeds concreter.

‘Vind je dit echt leuk om te doen?’ checkt ze regelmatig met ongeloof in haar stem. Ik beaam het: “als je iets echt heel graag wil en ervoor gaat lukt het vaak, is mijn ervaring. En hoe gaaf zou het zijn als je kunt verhuizen?”

Gisteren was het zover. Ze heeft een woning gevonden. Nou ja, ik eigenlijk, maar het is niet aan mij om daarmee te pronken. Al zou ik dat best wel mogen doen, want dankzij mijn volhardendheid is het heel snel gelukt. Maar daar poch ik niet over, want daar ben ik te bescheiden voor. En dat siert me, al zeg ik het zelf.

Voor R.

Donkere wolk

Sinds twee jaar heb ik de oogziekte Maculadegeneratie. Als behandeling krijg ik maandelijks een injectie in mijn oog. De dag vóór de injectie bouwt de stress in mijn lijf zich op, de dag ná de injectie daalt hij weer tot normale waarden.

Elke vier maanden heb ik een afspraak met de oogarts. Ook dat gaat met stress gepaard. De laatste keer dat ik de arts sprak kreeg ik slecht nieuws. De behandeling met injecties slaat niet aan, een alternatief is er niet. Het zichtverlies van mijn oog laat zich niet afremmen. Een zware, donkere stresswolk daalde over mij neer. De hoop dat mijn zicht nog zou verbeteren sloop met de staart tussen de benen mijn leven uit. Ik bleef in tranen achter.

Ik heb lang nodig gehad om aan mijn nieuwe realiteit te wennen en me te verzoenen met mijn lot. Ik kan er niets aan veranderen en moet ermee zien te leven. Dat lukt steeds beter, met af en toe een slechte dag. De donkere wolk is lichter geworden en de zon breekt vaker door.

Vakantiebaantje

Ik zei spontaan ja, toen me gevraagd werd een weekje de krant rond te brengen. De vaste bezorger ging met zijn ouders op vakantie en er was in het hele dorp geen jongere te vinden die het even over wou nemen. Toen kwamen ze bij mij uit, een oudje.

Vroeg opstaan is geen punt, dat doe ik zowiezo al. Zo vroeg de deur uit is andere koek. Mijn dag begint altijd met mijn ochtendritueel: kopje thee, poes op schoot en krantje lezen. Maar nu moest ik eerst die krant bij mezelf bezorgen.

Zuchtend en kreunend vertrok ik op de fiets. Tot ik om me heen keek en de ochtendluchten zag. Dat maakte veel goed.

Het weekje is voorbij. De bezorger, jong van lijf en leden, is weer terug op zijn vroege post. En ik ben weer de pensionado die blij is als de krant op de deurmat valt.

Herinneringen

Hij loopt krommer, zijn voeten sloffen, zijn benen zijn dunner. Zonder rollator wankelt hij als een rietje in de wind. Zijn spaarzame grijze haren staan wijduit, zijn gebit is helemaal uit.

Hij is bijna een jaar weduwnaar en hij is nog niet klaar. De orchideeën moeten nog verzorgd, de tuin nog bijgehouden en de NRC gespeld. Alleen dat laatste kan hij zelf, de rest doen zijn kinderen.

Een kleinzoon komt langs. Hij leeft op en wil alles van hem weten. Maar zonder gebit blijven de woorden vaak steken en is het raden naar wat hij zegt. Kleinzoon laat hem liefdevol in zijn waarde.

Heden en verleden lopen steeds meer door elkaar, gedachtensprongen zijn niet altijd te volgen, tranen liggen op de loer na 67 jaar samen zijn en nu alleen. Maar hij houdt vol. Want nu leeft hij nog tussen de herinneringen aan zijn vrouw.

Teun neemt de pootjes

De kittens Roos en Teun zijn inmiddels 6 maanden oud en allebei ‘geholpen’. Dat betekent dat ze nu naar buiten mogen. Maar eerst nog even samen met de baas de tuin verkennen. Voor de zekerheid met een tuigje om en aan de lijn. En algauw zonder lijn en zonder tuig. En tenslotte zonder baas.

Teun

Als het begint te schemeren worden ze met brokjes naar binnen gelokt, ze zijn nog te jong om het nachtleven in te gaan. Want daar sluipen grote woeste katers rond die dol zijn op schattige kittens. Eerst nog maar wat groter groeien, zeggen de baasjes. Roos en Teun leggen zich er morrend bij neer.

Tot de avond waarop Teun in geen velden of wegen te bekennen is. Eerst halen de baasjes nog hun schouders op: ‘ach, hij zal zo wel komen’. Maar de tijd verstrijkt, geen Teun. Toch maar een rondje door het dorp doen, toch maar in de dorpsapp melden dat hij kwijt is, toch maar visoenen krijgen van een kattenlijkje langs de weg.

En dan is het bedtijd en laat een van de baasjes de hond nog even uit en roept zachtjes ‘poes, poes, poes’ door het stille dorp. Je weet maar nooit. Bijna thuis klinkt er opeens een zacht gepruttel in de bosjes, hond Benthe reageert enthousiast en daar springt Teun tevoorschijn. Ongehavend, hongerig en zich van geen kwaad bewust.

Voorlopig heeft Teun nachtarrest, want de baasjes kunnen meer van dit soort avonturen niet aan.