Lammetjesaaidag

Ik ben bij de dierenarts om anti-teken spul voor de poezen te kopen. Tijdens het afrekenen, duur spul trouwens, valt mijn oog op een flyer met de kop  ‘Lammetjesaaidag’.

Hè, doen mijn hersens, lammetjes kun je toch niet zaaien en ze hebben het nog fout geschreven ook. Ik lees verder. Oh, je kunt er lammetjes aaien, vandaar: lammetjes aai dag, maar dat was natuurlijk te lang voor de kop.

Wat zou zo’n lammetje daar eigenlijk van vinden? Al die zweterige kinderhandjes op hun lijf waarvan er vast een paar gemeen knijpen zodat het diertje moet mekkeren van de pijn. En zo’n joch, ja het zijn natuurlijk altijd jongens, hard lachen en nog een keer knijpen.

Ik heb de hele stapel flyers meegenomen en thuis weggegooid. Ik hoop dat niemand er naar toe gaat.

Het verdriet van Vijlbrief

Het was gisteren niet de eerste keer dat staatssecretaris Vijlbrief van Mijnbouw in het openbaar in tranen uitbarstte. Het gebeurde ook vorig jaar in Garmerwolde bij de reactie van hem en Rutte op het eindrapport van de parlementaire enquête gaswinning. Ik zat toen in de zaal en voelde me er erg ongemakkelijk bij.

Hij zat daar om zijn werk te doen, net zoals ik vroeger als hulpverlener mijn werk deed. Het was niet aan hem om te huilen, net zomin als dat indertijd aan mij was. Als je als professional huilt om het verhaal van de cliënt (of in dit geval de gedupeerden) laat je de ander in de steek. Mee voelen ja, mee huilen nee. Het gaat namelijk niet om jouw verdriet, maar om dat van de ander die bij jou komt voor hulp en steun.

Ik vind het oprecht fijn dat Vijlbrief met ons meevoelt en zich zo voor ons inzet, maar alstublieft: laat de tranen aan ons.

Sorry paardjes

Ik kijk naar buiten en zie twee paarden over het land naast mijn huis sjokken. De grond is drijfnat, hun hoeven maken diepe gaten in de bodem. Gelukkig is het niet mijn land, dus ik hoef die gaten niet te egaliseren. En ik hoef niets met de paarden, want ze zijn niet van mij.

Wat wel van mij is, is de tuin bij mijn huis. Daar moet ik wel wat mee. Door er alleen naar te kijken, wat ik graag doe, kom ik er niet. Ik moet aan de bak: snoeien, verplanten, bijknippen, opruimen en afvoeren.. Zelfs het gras heb ik al een keer gemaaid en dat begin april. Veel te vroeg in het jaar.

Als ik zou moeten kiezen tussen paarden waar ik alleen naar hoef te kijken en mijn tuin waar ik in moet zwoegen, wat kies ik dan? Zeker weten de tuin. Want al kijk ik graag naar paarden, ik kijk nog grager naar mijn tuin als die er pico bello bij ligt.

Sorry paardjes.

De Muur

Een heerlijk weekendje weg in de bossen van Lunteren. ’s Ochtends vroeg gewekt worden door druk kwetterende vogeltjes, hond Benthe die onvermoeibaar meeloopt met onze urenlange wandelingen. Tussendoor een boterham eten op een bankje met daarna als beloning pannenkoeken in het bosrestaurant. Het is hier goed toeven.

Op dag twee lopen we een rondje door het park. Het is nog rustig, weinig huisjes zijn bezet en de stacaravans staan nog in de winterstalling, zomers moet het hier erg druk zijn. In het campinggedeelte staan we opeens oog in oog met een lange muur, vervallen, half afgebrokkeld en overgroeid. Bij navraag blijkt dit de ‘Muur van Mussert’ te zijn. Door NSB-leider Anton Mussert in de jaren `30 van de vorige eeuw gebruikt voor toespraken op massale partijbijeenkomsten.

Opeens vind ik het hier niet meer zo fijn. Waarom staat deze muur hier zo plompverloren en in zo’n slechte staat. Waarom niet even een waarschuwing erbij dat je hier tegen een afschuwelijk verleden aanloopt. En wie bedenkt het om een vakantiepark te maken op zo’n beladen plek. Ik kan er met mijn hoofd niet bij.

In stilte lopen we verder.

Voor C.

Maatje

Ik ben op bezoek bij mijn 96-jarige oom in Zeeland. Hij woont in een verpleeghuis waar je de hele dag binnen kan lopen. Ik grijp mijn kans en loop de deur bij hem plat. Al neem ik daarmee het risico hem slapend aan te treffen, maar dat maakt me niet uit, dan ga ik gewoon de krant lezen.

Hij is fysiek niet meer optimaal, maar zijn koppie doet het nog prima. Hij volgt het nieuws, maakt zich druk over de formatie en vraagt altijd hoe het in Groningen is. Daarmee bedoelt hij niet of de tuin het goed doet. Nee, hij vraagt naar de gaswinning en of er nou eindelijk doorgepakt wordt en wat een schande het toch is hoe we behandeld zijn en …

Deze vraag stelt hij al sinds 2012, elke keer dat ik hem spreek. Waar er ook mensen zijn die afhaken van elke keer weer mijn verhalen over de gaswinning, blijft hij mijn meest trouwe en meest betrokken maatje.

Voor de zekerheid, je weet maar nooit, heb ik hem vandaag verteld hoe blij ik daarmee ben. Hij wuift het weg “dat is toch vanzelfsprekend”, maar voor mij is het dat niet.

Ik hoop dat hij de vraag nog lang kan stellen.

Voor J.