Een zoete troost

Gisteren heb ik afscheid genomen van mijn beeldhouwjuf, waar ik zes jaar tot volle tevredenheid les van heb gehad. Dat afscheid is niet van harte, want er is bij mij een lange worsteling aan vooraf gegaan. Door mijn oogproblemen moest ik een nieuwe manier van beeldhouwen vinden. Niet meer met slijptol en pneumatische beitel (te gevaarlijk voor mijn ogen), maar voorzichtiger en dus met zachtere steen en niet meer hakken maar vijlen.

afscheidsbeeld: pinguïn met jong

Anderhalf jaar lang heb ik het geprobeerd, soms zwoegend, soms in tranen, soms met een sprankje hoop dat het me zou lukken. Ik wilde er zo graag mee verder, vond het zo fijn om te doen. Maar dat gevoel van blijheid kwam niet meer terug. Mijn ogen werden er te moe van en mijn creativiteit kwam niet meer op gang. Het werd doorgaan tegen beter weten in.

Toch heb ik nog één beeld gemaakt waar ik wel blij van werd. Een afscheidsbeeld voor mijn beeldhouwjuf, omdat ze me zo geholpen heeft in mijn zoektocht. Altijd dichtbij, mij volgend in mijn proces tot ik zelf het besluit kon nemen: ik stop met worstelen. Opluchting overheerst nu en tevredenheid over de manier waarop we afscheid hebben genomen. Als afscheid nemen een kunst is, begin ik dat aardig in de vingers te krijgen. Een zoete troost.

Voor F.

De pruimenboom

Toen hij nog fier rechtop stond was het een pruim, zo’n acht meter hoog. Hij stond met zijn appelboomvriendjes al jaren in de boomgaard. En gaf een overvloed aan heerlijke blauwe pruimen. Tot een paar jaar geleden toen de vruchten, als ze eenmaal begonnen te vallen, onrijp bleken te zijn. En dat jaar na jaar. Het opruimen van al die pruimen was een hels karwei.

We besloten tot een rigoureuze maatregel: de pruim moest eraf. Samen met een tuinmaatje zijn we hem te lijf gegaan. Hoge ladder erbij, touwen en de boomzaag. Heel voorzichtig de hoge takken er afgehaald, net zolang tot we de boom durfden te laten vallen.

Tevreden waren we dat het ons zonder problemen gelukt was. Toch knaagde er ook wat schuldgevoel: een gezonde boom kappen doen we liever niet. Daarom was het een opluchting toen we zagen dat de kern van de boom donkerrood was in plaats van licht bruin. De boom was ziek en daarom gaf hij onrijpe vruchten.

We hadden hem dus niet voor niets het lootje laten leggen. Pfff, dat scheelt.

Nieuwe bril

Voor de eerste keer sinds mijn maculadegeneratie laat ik mijn ogen opmeten voor een nieuwe bril. Ik zie er tegenop, want er wordt nu zo vaak in mijn ogen gekeken of geprikt dat ik eigenlijk aan mijn tax zit. Maar ik wil mezelf trakteren op een nieuwe bril, als kadootje na 2,5 jaar oogleed.

Ik word bij de opticien achter een hypermodern, digitaal apparaat gezet, dat mijn ogen van voor tot achter door- en opmeet. Tja, zo kan ik het ook, denk ik nog even bij mezelf. Wat een makkie. Maar daarna komt gelukkig het ouderwetse handwerk en het precies bepalen van sterkte, as, cylinder en leesgedeelte. Hier heb ik tenminste iets over te zeggen.

De opticien is vriendelijk en geduldig, begrijpt dat het voor mij belastend is. Hij trekt een uur voor me uit, inclusief kopje koffie met een koekje. Over een paar dagen zoek ik pas de nieuwe bril uit. Want ik heb inmiddels geleerd dat ik het leven in afgepaste porties tot me moet nemen. Ook de traktaties.

Geplet

Het mandje is van Roos, links in beeld. Het is haar terugtrekplekje als ze haar broertje Teun even zat is. Lekker in de bijkeuken liggen, met zicht op de tuin.

Maar vandaag niet, want Teun is pardoes bovenop haar geploft met zijn grote lijf, zijn poot en staart stevig om haar nekje geklemd. Roos kan geen kant op. ‘Moet dat nou’ zie je haar denken, ‘kan hij niet ergens anders gaan liggen?’

Teun piekert er niet over, op het zachte lijfje van Roos ligt hij veel fijner dan op de schoot van het baasje. Dat hij dat niet eerder ontdekt heeft. Morgen weer.

Zo vader zo dochter

Mijn oude oom woont niet meer thuis, maar woont sinds kort in een verpleeghuis. Dat betekent dat hij afscheid heeft moeten nemen van zijn orchideeënkas. Hij kon al bijna niet meer lopen, maar toch ging hij nog dagelijks het trapje af, het grasveld over, kruipdoorsluipdoor naar de kas achterin in de tuin. Dochterlief hield elke keer haar hart vast.

De orchideeën merkten dat oom steeds korter in de kas was, vaker vergat ze water te geven, hun dode blaadjes niet meer afplukte en ze niet meer verpotte. De stemming in de kas werd somberder en somberder. Ze vreesden voor hun leven.

orchidee in de kas

Tot oom op kamers ging en dochter de kas onder haar hoede nam. Ze hield grote schoonmaak, scheidde het kaf van het koren en sprak de plantjes bemoedigend toe. Nu staat de kas er weer vrolijk bij, hebben de orchideeën het naar hun zin en zorgt dochterlief ervoor dat er altijd een bloeiend orchideetje op vaders kamer staat.

Voor I.