Als jong kind begreep ik er niets van. Wat was er toch elk jaar weer op 4 mei. Waarom deden mijn ouders zo ernstig en waarom moest ik om acht uur stil zijn. Als puber ging ik in verzet. Om kwart voor acht verliet ik het huis en fietste de straat uit. Ik reed een rondje door het dorp, zag de mensen in hun huizen achter de televisie zitten. Ik hoopte dat ze me zagen, ik wou gezien worden: “Kijk dan, hier doe ik niet aan mee”.
Achteraf gezien was het geen protest tegen de 2 minuten stilte, het was protest tegen mijn ouders. Die zwegen als het over de oorlog ging, die geheimzinnig fluisterden over zaken waar ik kennelijk te jong voor was, die verwarrende signalen uitzonden over wie goed of slecht was. De buurman aan de ene kant was goed, maar die aan de andere kant niet. Maar waaróm dan, wat was er dan met ze?
Ik fietste liever in mijn eentje door het dorp, dan samen met mijn vader en moeder thuis te blijven. Thuis, waar ik me op 4 mei meer alleen voelde dan ooit. Pas jaren later begreep ik hun zwijgen, begreep ik het leed dat er onder schuil ging. En kon ik rouwen om de eenzaamheid waar we als gezin in gevangen zaten.
Vandaag hang ik de vlag uit om 75 jaar bevrijding te vieren.
Ze vertelt fragmenten, schetst de contouren van de verschrikkingen en schampt rakelings langs haar pijn. Af en toe stel ik een voorzichtige vraag, vaker luister ik alleen maar. De oorlog is in haar nog aanwezig alsof het gisteren was. Nu ze steeds dichter bij het einde van haar leven komt, wordt het begin steeds feller belicht. De enige troost die ik haar kan bieden is een luisterend oor.
Na weken blauw eindelijk weer eens wakker geworden met grijs. Vannacht kletterde de regen op het dak, het water overstroomde als vanouds de dakgoot. Het werd tijd ook.