Schimmen

Ik ben bij de oogarts voor mijn 44e prik. De wachtkamer is leeg, dat betekent dat ik snel aan de beurt ben. Niets ergers dan een half uur moeten wachten en de spanning in mij voelen stijgen. De prik gaat goed en ik verlaat opgelucht het ziekenhuis om in de stad nog een boodschap te doen.

afbeelding: vage bomen in de mist

Hé, wat zie ik slecht, gaat er door me heen als ik op de fiets stap. Dat zal zo wel wegtrekken, zeg ik geruststellend tegen mezelf. Maar het trekt niet weg. Als ik in het centrum ben aangekomen, vertrouwend op mijn goede oog, ziet mijn slechte oog alleen nog maar schimmen. Schimmen van mensen, schimmen van auto’s, schimmen van gebouwen. Wat is er aan de hand, dit heb ik nooit eerder gehad.

Wat nu? Ga ik naar huis of ga ik terug naar het ziekenhuis. Wat is wijs? Ik weet het niet en besluit het ziekenhuis te bellen. Kom maar terug, dan laten we een arts ernaar kijken, is de reactie. Zo gezegd zo gedaan. De schimmen blijken het gevolg van alle druppels die ik gehad heb vóór de prik. Het zal zichzelf oplossen, maar dat duurt nog even.

Voor de tweede keer verlaat ik het ziekenhuis, opgelucht maar wel met de schrik in mijn lijf. Zou het kunnen dat mijn oog ooit zo slecht wordt dat ik alleen nog schimmen zie? Geen idee. Voor nu hou ik me maar vast aan de geruststellende woorden van de oogarts, dat dit niets met mijn maculadegeneratie te maken heeft.

Ze had trouwens gelijk, de schimmen zijn helemaal verdwenen.

Waarom?

Ik ben op een feestje en praat bij met een kennis. Tegenover me aan de picknicktafel zit haar zoon, jaar of 17-18 schat ik, we kennen elkaar niet. Ik plaag hem wat, hij kan het wel waarderen. Al snel staat hij op om te gaan volleyballen. Een tijdje later sta ik een wijntje in te schenken als hij naar me toekomt. Mag ik je wat vragen, zegt hij, waarom is jouw ene brillenglas donkerder dan de andere? Ik leg het uit en hij knikt begripvol.

afbeelding:
bril met één donkerder glas

Jeetje wat goed dat hij dit vraagt, denk ik als hij weer weg is. Het glas voor mijn oog met maculadegeneratie is donkerder dan het andere glas. Als ik mezelf terug zie op een foto vind ik het heel opvallend. Ik zie mensen er wel naar kijken, maar zelden vragen ze er naar. Dat voelt wel eens ongemakkelijk. Een grappige uitzondering was de keer dat een mij onbekende man me vroeg of ik wel wist dat ik een brillenglas verloren was. Ik had volgens hem maar één donker glas in plaats van twee. We konden er samen hartelijk om lachen.

Het gemak waarmee deze jonge knul het me vraagt ontroert me. We hebben maar even contact gehad, maar dat is voor hem voldoende om de vraag te stellen. Zo makkelijk kan het zijn.

Hittebestendig

De temperatuur klimt langzaam naar de 28 °C. In de schaduw. Ik blijf vandaag binnen, want buiten is het niet te doen. Gelukkig hoef ik nergens heen. De hond wil niet wandelen, de poezen liggen ergens in de bosjes te koelen. De vogels zwijgen, de schapen slapen onder een boom.

De enige mensen die de hitte trotseren zijn de werkers op de kerktoren. De hoogste en warmste plek van het dorp. Ze hakken en slijpen de voegen eruit, zodat de toren straks, nieuw gevoegd, weer eeuwen voort kan. Zo zorgen ze ervoor dat ons middeleeuwse kerkje behouden blijft.

Als ik een petje op had, zou ik die voor ze afnemen. Maar ik heb geen petje op want ik ga vandaag niet naar buiten. Dus hierbij een digitaal petje af voor de hittebestendige werkers op de kerktoren.

Schapenverdriet

De afgelopen weken woonde ik naast een schapencrèche met vijf moeders en elf kinderen. Ik genoot van de dartele sprongen die het grut maakte en van de moeders die ingrepen als ze te opdringerig waren, vooral rond etenstijd. Er werd geblaat en gemekkerd, want ook dat moesten ze leren. Ze deden hardloopwedstrijden langs het hek van de tuin en vergrepen zich aan mijn aalbessenstruik. Dat was minder leuk, geen aalbessen met ijs dit jaar.

Tot vanochtend, toen er opeens geen schapenkind meer te zien of te horen was. Alleen de vijf moeders, die stonden nog op het veld. Ze maakten lawaai voor tien, roepend om hun grutjes, waar ze zoveel van hielden. De hele ochtend stonden ze hartverscheurend te blèren tot hun gejammer langzaam uitdoofde, ze hun kop lieten hangen en het stil werd, veel te stil.

De kinderen zijn spoorloos. Ik vrees het ergste.