Sorry paardjes

Ik kijk naar buiten en zie twee paarden over het land naast mijn huis sjokken. De grond is drijfnat, hun hoeven maken diepe gaten in de bodem. Gelukkig is het niet mijn land, dus ik hoef die gaten niet te egaliseren. En ik hoef niets met de paarden, want ze zijn niet van mij.

Wat wel van mij is, is de tuin bij mijn huis. Daar moet ik wel wat mee. Door er alleen naar te kijken, wat ik graag doe, kom ik er niet. Ik moet aan de bak: snoeien, verplanten, bijknippen, opruimen en afvoeren.. Zelfs het gras heb ik al een keer gemaaid en dat begin april. Veel te vroeg in het jaar.

Als ik zou moeten kiezen tussen paarden waar ik alleen naar hoef te kijken en mijn tuin waar ik in moet zwoegen, wat kies ik dan? Zeker weten de tuin. Want al kijk ik graag naar paarden, ik kijk nog grager naar mijn tuin als die er pico bello bij ligt.

Sorry paardjes.

De Muur

Een heerlijk weekendje weg in de bossen van Lunteren. ’s Ochtends vroeg gewekt worden door druk kwetterende vogeltjes, hond Benthe die onvermoeibaar meeloopt met onze urenlange wandelingen. Tussendoor een boterham eten op een bankje met daarna als beloning pannenkoeken in het bosrestaurant. Het is hier goed toeven.

Op dag twee lopen we een rondje door het park. Het is nog rustig, weinig huisjes zijn bezet en de stacaravans staan nog in de winterstalling, zomers moet het hier erg druk zijn. In het campinggedeelte staan we opeens oog in oog met een lange muur, vervallen, half afgebrokkeld en overgroeid. Bij navraag blijkt dit de ‘Muur van Mussert’ te zijn. Door NSB-leider Anton Mussert in de jaren `30 van de vorige eeuw gebruikt voor toespraken op massale partijbijeenkomsten.

Opeens vind ik het hier niet meer zo fijn. Waarom staat deze muur hier zo plompverloren en in zo’n slechte staat. Waarom niet even een waarschuwing erbij dat je hier tegen een afschuwelijk verleden aanloopt. En wie bedenkt het om een vakantiepark te maken op zo’n beladen plek. Ik kan er met mijn hoofd niet bij.

In stilte lopen we verder.

Voor C.

Maatje

Ik ben op bezoek bij mijn 96-jarige oom in Zeeland. Hij woont in een verpleeghuis waar je de hele dag binnen kan lopen. Ik grijp mijn kans en loop de deur bij hem plat. Al neem ik daarmee het risico hem slapend aan te treffen, maar dat maakt me niet uit, dan ga ik gewoon de krant lezen.

Hij is fysiek niet meer optimaal, maar zijn koppie doet het nog prima. Hij volgt het nieuws, maakt zich druk over de formatie en vraagt altijd hoe het in Groningen is. Daarmee bedoelt hij niet of de tuin het goed doet. Nee, hij vraagt naar de gaswinning en of er nou eindelijk doorgepakt wordt en wat een schande het toch is hoe we behandeld zijn en …

Deze vraag stelt hij al sinds 2012, elke keer dat ik hem spreek. Waar er ook mensen zijn die afhaken van elke keer weer mijn verhalen over de gaswinning, blijft hij mijn meest trouwe en meest betrokken maatje.

Voor de zekerheid, je weet maar nooit, heb ik hem vandaag verteld hoe blij ik daarmee ben. Hij wuift het weg “dat is toch vanzelfsprekend”, maar voor mij is het dat niet.

Ik hoop dat hij de vraag nog lang kan stellen.

Voor J.

 

Deblokkeren

Mijn pasje van de Rabobank heeft zichzelf geblokkeerd. Ik bel de helpdesk en kom via de wachtrij bij een medewerkster uit. Voor ze mij verder kan helpen moet ik mij legitimeren. Adres, woonplaats, geboorteplaats. Bij dat laatste gaat het mis. Ze wil niet geloven dat ik in Haarlem geboren ben, terwijl ik dat toch zeker weet want ik was er zelf bij. Wat staat er op uw legitimatiebewijs, vraagt ze nog. Haarlem, antwoord ik. Tja, zegt ze, dan kan ik u niet verder helpen, u zult naar een filiaal van ons moeten gaan.

Ik heb niets tegen Haarlem, maar was ik er maar niet geboren. Had mijn moeder me maar ergens anders gebaard. In Amsterdam, Zwolle of Lutjebroek, maakt me niet uit. Dan had de Rabo-mevrouw me vast wel geloofd. Maar ja, daar heb ik nu weinig aan. Nu moet ik op de fiets naar het dichtstbijzijnde filiaal, 10 km verderop, bij windkracht 6. Doe het zelf, roep ik nog in de telefoon, maar ze heeft al opgehangen.

Snoeien in de sneeuw

De hovenier komt de grote wilg snoeien, maar daar blijft het niet bij. ‘Ach, nu je hier toch bent kun je die es ook wel even weghalen en die veel te grote laurier bijsnoeien’. Hij vindt alles goed. Drie dagen later is hij nog steeds bezig. Ik voorzie hem van kopjes koffie en thee, voer hout af voor de houtopslag en sleep dunne takken naar de snipperaar. De zon schijnt en de sneeuw knispert onder mijn voeten.

het spoor van de snipperaar

De tuin knapt ervan op en ik ook. Ik ben niet zo’n wintermens, hou niet van uitzichtloos lange dagen waarvan de donkerte voetje voor voetje in mij kruipt.

Maar drie dagen bikkelen in de besneeuwde tuin met een zonnetje erbij, blijkt wonderen te verrichten. In mij hoor ik de eerste sneeuwklokjes klingelen en zie ik daar zelfs al een narcis zijn kopje boven de grond uitsteken?

Snoeien in de sneeuw brengt de lente en het licht in mij naar boven.