Het was liefde op het eerste gezicht. Twaalf weken oud, een zijdezachte velletje, prachtig gestreept en oogjes om in te verdrinken. Miep heet ze.
Ze klom op mijn schoot alsof ze op me gewacht had. Het was onze eerste ontmoeting. Ze viel gelijk in slaap en droomde dat ze haar eerste muis ving, haar pootjes zetten het al op een rennen. Af en toe ging ze verliggen, waarbij ze steeds met één oogje mijn blik ving.
Mijn thee werd koud, de vriend waarbij ik op bezoek was zat er wat verloren bij. Ik kwam voor hem, maar verloor mijn hart aan haar. Miep, mijn Mieperdepiep, ik hou alleen van jou.

Zo begon de dag. Een dag die beheerst werd door de vraag: “hangen we de was buiten of binnen?” Na drie wassen hingen er twee buiten en eentje binnen. Die laatste voor de zekerheid. Het ging best een tijd goed, tot het niet meer goed ging. Toen moest de buitenwas in rap tempo afgehaald worden en werd het binnenwas.
Maar het lastigst is toch: ‘waar moet ik naar kijken’. Het ligt voor de hand om jezelf aan te kijken, want tegen iemand praten zonder aankijken is onbeleefd, heb ik ooit geleerd. Fout, helemaal fout. Maak je een filmpje voor een feestje dan moet je in de camera kijken, als je die tenminste kan vinden.