Bang voor de dierenarts

Hond Benthe moet voor zijn jaarlijkse controle en vaccinatie naar de dierenarts en ik moet mee. Ik zie er erg tegenop. Zo’n dierenarts is voor mij een soort God, die al mijn fouten in de opvoeding genadeloos zal afserveren. “Mevrouwtje, u heeft uw hond niet goed opgevoed, kijk nou, hij springt tegen me op en probeert me een lik te geven”. En dat ik daar dan blozend en stotterend sta en wat onverstaanbaars mompel.

Nu heb ik het geluk dat Benthe de leukste, liefste, mooiste hond is die er bestaat en dat hij alles en iedereen aardig vindt, ook de dierenarts. Hij gaat huppelend de spreekkamer in en komt er huppelend weer uit. Ja, hij springt tegen de dierenarts op en probeert snoepjes van zijn bureau te jatten. Ja, hij steekt zijn neus in de la met medicijnen. Maar hij doet het zo charmant en ondeugend dat de dierenarts erom moet lachen.

Aan het eind van het consult krijgt Benthe een brokje en ik een koekje. Samen huppelen we de spreekkamer uit. Mijn angst voor de dierenarts is over.

Dag Isha

Jarenlang leidde hond Isha mijn tante veilig over straat. Hij hielp haar oversteken, stopte bij elk rood stoplicht en waarschuwde haar voor fietsers en wandelaars. In huis zorgde hij dat ze niet over hem struikelde. Hij was tante’s steun en toeverlaat. Tot hij van een welverdiend pensioen mocht gaan genieten. Zijn tuig werd opgeborgen, hij was weer een gewone hond.

Maar niet voor mijn tante. Die vertroetelde en verwende hem als dank voor de vrijheid en de onafhankelijkheid die hij haar gegeven had. Dankzij zijn werk als hulphond kon zij zelfstandig de wereld in gaan. Ze waren onlosmakelijk met elkaar verbonden.

En nu opeens is hij er niet meer. Klinkt nooit meer het gekras van zijn nagels op de houten vloer of het leegslubberen van zijn waterbak. En zit hij s’middags nooit meer naast mijn tante, te wachten op zijn dagelijkse ‘brokje bij de thee’.

Voor H & J en I & PH

Met dank aan Bob

Benthe en ik lopen over het pad midden door de weilanden als ons een vrouw in een rode jas tegemoet komt. Om haar heen dartelt een te dik hondje op te korte pootjes. Benthe ziet het hondje wel zitten en daagt hem uit te spelen. De vrouw vraagt of ik naar Loppersum loop. Nee. Loopt u dan naar Zeerijp? Nee, ook niet. Ik loop tot die hoek daar en dan weer terug.

Ze vraagt of ze mee mag lopen. Althans dat denk ik, want haar woorden stromen zo snel als een beekje in een Zwitserse alpenweide in het voorjaar als de sneeuw hogerop smelt. Al murmelend vergezelt ze me naar de hoek. Ondertussen vraag ik me af hoe ik weer van haar af kom.

Bob, haar hondje, biedt uitkomst. Moe van het spelen met Benthe, die met zijn lange poten niet bij te houden is, loopt het beestje hijgend vlak achter mijn hielen. Ik vermoed dat hij even rust zoekt, rust van zijn ratelende baasje. Dat zint de vrouw niet, ze blijft stilstaan, roept Bob bij zich en loopt terug. Met dank aan Bob loop ik in stilte naar de hoek en stiekem nog een stukje verder.

Benthe’s 3e verjaardag

De baasjes hebben vanochtend voor me gezongen. Daarna kreeg ik een speciaal verjaardagsbot: runderhuid met kip eromheen. Ik mocht het zelf uit de verpakking halen, dat mag ik anders niet. Ik heb nog nooit zo’n raar bot gezien. Een bot hoort wit te zijn, deze is helemaal vergeeld. Ik doe alsof ik er blij mee ben en sleep het naar mijn mand. Ook een gegeven bot mag je niet in de bek kijken.

Mijn baasjes bedoelen het goed, ze hebben zelfs slingers opgehangen en ballonnen met een 3 erop. Ik wil ze niet teleurstellen, ze doen zo hun best. Ik heb de liefste baasjes van de wereld, maar voor mijn 4e verjaardag wil ik graag weer een gewoon bot. Niet tegen ze zeggen hoor.

Op de rand van water en land

Gisteren was ik eindelijk weer eens aan het strand. Met hond Benthe langs de vloedlijn rennen. Met blote voeten in de branding staan en voelen hoe het water zich terugtrekt van de kust. Het mengsel van zand en water kriebelt tussen mijn tenen, een gevoel dat me terugbrengt in de tijd.

Zandvoort was het strand van mijn jeugd. Schelpen verzamelen, kuilen maken, badmintonnen en zwemmen in zee. Behalve bij aflandige wind, want dan waren er kwallen. Kilometers langs de vloedlijn lopen, met de wind in mijn gezicht en het zout op mijn lippen. En dan roodverbrand weer naar huis.

Later, als volwassene, wandelde ik er vaak met mijn vader en namen we het leven door. Gesprekken die alleen gevoerd konden worden op de rand van water en land, met de wind in de rug en de blik op oneindig.

Vandaag zou hij honderd zijn geworden.