We zijn met velen, iedereen in stemmige kledij. Met de auto, te fiets en te voet zijn we gekomen om afscheid te nemen. Er wordt koffie en thee met lekkernijen geserveerd door jonge mensen in witte kleding. Zo kun je zien wie waarvoor komt. De zon schijnt volop, het is goed toeven op het erf van de monumentale boerderij.
De plechtigheid vindt plaats in de schuur, tussen de strobalen, onder de eeuwenoude gebinten waar de spinnenwebben treurend aan de balken hangen. De familie zit op stoelen, gebroken. Het is muisstil, geen muziek, af en toe ritselt het stro.
De afscheidswoorden komen aarzelend, het verlies is te plotseling, te rauw. Boeren kunnen tegen een stootje, maar deze klap heeft niemand aan zien komen. Na afloop lopen we het erf weer op, de zon gaat schuil achter een nevel van tranen.
Even later zit ik op een stoel naast haar bed en pak ik haar hand. “Heb je pijn”, vraag ik. Haar “nee” is nog net verstaanbaar. Ze probeert nog wat te zeggen, maar de woorden blijven achter haar lippen steken.
Het grote genieten kan nu beginnen, maar het blijkt van korte duur. Onder mij zie ik loeiende koeien, blatende schapen en hinnikende paarden in paniek wegrennen. Ze snappen er niets van, zo’n vuurspuwende draak boven hun hoofd. Wegwezen!
