

Tekst Hel David, 1965
Een blik op het leven, geschreven op een Groninger wierde. Door Ingrid Verbeek


Tekst Hel David, 1965
Ze was voorbereid en toch was het een schok. Ze had hem dit jaar al drie keer opgezocht waarvan de laatste keer op stel en sprong. Maar nu hoefde ze zich niet te haasten, hij was gaan hemelen. Haar hoogbejaarde oom, waarmee ze zo fijn over vroeger kon praten. Over samen cantharellen zoeken in het bos, logeerpartijtjes die altijd te kort waren, grapjes die elke keer weer leuk waren. Hij had deze wereld verlaten, het was zijn tijd.

Nu is ze voor de laatste keer onderweg naar hem. Hoe dichter de trein zijn bestemming nadert, hoe verdrietiger ze wordt. Deze keer zal hij haar niet begroeten met de woorden: “lieve meid, wat fijn dat je er bent”. Maar zij kan wel tegen hem zeggen: “lieve oom, wat fijn dat je er was en dat ik je liefde heb mogen ontvangen. Ik voelde me veilig bij jou en neem je voor altijd mee in mijn hart “.
Het is goed zo.
De machinist van de intercity minder vaart en roept om: “we krijgen net een veiligheidsmelding dat er iemand langs het spoort loopt, we rijden voorlopig op zicht”. Ik stel me hem voor in zijn cabine vol toeters en bellen, beeldschermen, digitale snufjes en een computergestuurd bedieningspaneel. Alles om de reiziger veilig thuis te brengen.

Maar loopt er zo’n potentiële reiziger te dicht langs het spoor, dan gaat alle techniek overboord. Dan blijkt de machinist een mens te zijn die met zijn (of haar) ogen kijkt, die zijn eigen waarnemingsvermogen vertrouwd en weet wat het goede is om te doen.
Rijden op zicht, leven op zicht, samenwerken op zicht, verbinden op zicht (weg met polarisatie), liefhebben op zicht (weg met online dating). Gewoon met onze ogen, onze handen, onze harten. Zonder beeldscherm. De NS doet het ons voor.
P.S. De potentiële reiziger is goed thuisgekomen.

Een wereld zo zwart
neemt mijn woorden weg
dan maar even zo
waar is de vrede
als je hem nodig hebt
wie vindt hem, koestert hem en voedt hem
ik denk trouwens dat vrede een ‘haar’ is
Voor V.
Na een zondagsrondje fietsen zet ik mijn fiets terug in de schuur. Een koolmeesje maakt van de gelegenheid gebruik, vliegt de schuur in en gaat op een balk zitten. Wat schattig, denk ik nog, maar niet voor lang. Want daar is Poes Teun al, die zich met een felle blik in zijn ogen onder de balk posteert. De balk is zelfs voor Teun te hoog dus ik verlaat de schuur met een gerust hart en laat de deur openstaan, zodat het vogeltje zichzelf kan redden.

Na 10 stappen bedenk ik dat ik mijn tas in mijn fiets heb laten zitten. Ik loop terug de schuur in en dat had ik niet moeten doen. De vogel schrikt, vliegt in paniek de verkeerde kant op, HAP zegt Teun en rent met een volle bek de schuur uit. Ik heb nog nooit zoveel vloeken achter elkaar gevloekt, woedend ben ik op de poes en op mezelf. Had ik niet kunnen wachten met teruglopen tot de vogel weg was, oen die ik ben.
Voor straf gaan we vanavond allebei zonder eten naar bed. En morgen ook.