Ze zit aan de lange tafel in de huiskamer, samen met drie medebewoonsters. Voor haar staan een halfvolle beker met koffie en een bakje vla. Ze kijkt op als ik bij haar ga zitten, haar blik is leeg. Herkent zij me wel?
Ik voer haar een paar hapjes van de vla. “Wel doorslikken hè”. Haar ogen vallen dicht, haar hoofd zakt voorover. Twee verzorgsters lopen naar haar toe en rijden haar voorzichtig naar haar kamer. “We leggen mevrouw op bed, u kunt zo naar haar toe”.
Even later zit ik op een stoel naast haar bed en pak ik haar hand. “Heb je pijn”, vraag ik. Haar “nee” is nog net verstaanbaar. Ze probeert nog wat te zeggen, maar de woorden blijven achter haar lippen steken.
Ik zwijg. Met mijn duim streel ik zachtjes haar breekbare hand.
Het grote genieten kan nu beginnen, maar het blijkt van korte duur. Onder mij zie ik loeiende koeien, blatende schapen en hinnikende paarden in paniek wegrennen. Ze snappen er niets van, zo’n vuurspuwende draak boven hun hoofd. Wegwezen!

Een jaar lang sloeg ik na het houtenhekje linksaf, over het net-niet paadje waar ik alleen zijdelings overheen kon en liep ik met ingetrokken buik langs het gaas door het kniehoge gras, om uiteindelijk uit te komen bij het kruidentuintje waar ik dagelijks verse munt pluk voor mijn kopje thee. Met de dag werd de route langer en mijn trek in muntthee kleiner.