Het is zondagochtend vroeg, een heerlijke lege dag in het vooruitzicht. Niet helemaal leeg, want onze pup Benthe gaat naar zondagschool en wij moeten mee.
Ze verheugt zich er al dagen van te voren op, want wat is er leuker dan spelen met haar maatjes Guus, Bo en Floortje. Achter elkaar aanrennen, samen aan een touw trekken, over elkaar heen rollen, stiekem in een staart bijten en vooral niet op de baasjes letten.
Wij staan er vertederd naar te kijken en vergeten waarom we hier ook alweer zijn. Na afloop drinken we met de andere baasjes koffie en vertellen vol trots wat onze pup de afgelopen week allemaal geleerd heeft.
Tevreden gaan we daarna naar huis om van de lege zondag te genieten. Benthe kijkt alweer uit naar volgende week.


Ik heb mijn winterrust zomers, als de schrijfjuf me een paar maanden niet achter de vodden zit. “Je kunt het Ingrid, je kunt het, het hoeft er alleen nog maar uit te komen”. ‘Hoe lang duurt dat nog?’, vraag ik elke les wanhopig. “Je moet gewoon al mijn lessen volgen, dan komt het vanzelf goed”.
De appelbomen laten hun appels vallen, de walnoten houden zich nog krampachtig vast aan hun boom. In het dorp zijn twee nieuwe geiten komen wonen, met vrolijk gemekker begroeten ze elke voorbijganger. Op de aanlegsteiger bij het maar heeft zich een grote ganzenfamilie gevestigd, vier ouders en vijf kinderen. Het lijkt wel voorjaar.