We zitten in de kelder van het oude pand. Ramen ontbreken, de kamer ruikt naar natte jassen. Het kille tl-licht helpt niet mee, alleen de thee zorgt nog voor wat warmte. We hebben overleg en er moet mij dringend iets van het hart.
De voorzitter deelt de agenda uit: eerst de notulen van de vorige keer, daarna het verslag van een cursus en als derde is mijn inbreng aan de beurt. De notulen nemen veel tijd, zoals gebruikelijk, want elke punt en elke komma moeten becommentarieerd. Daarna volgt het verslag van een training, de bits en bytes vliegen me om de oren. Oren die niet geschikt zijn voor digi-taal.
Eindelijk zijn we aangekomen bij agendapunt drie. Ik zit klaar om los te barsten. “Gezien de tijd slaan we puntje drie over, we gaan gelijk door met punt vier: de taakverdeling”, zegt de voorzitter onverwachts. Ik zak als een plumpudding in elkaar. Had ik nou maar gelijk gezegd dat mij de woorden op de tong brandden, had ik nou maar nooit tot drie geteld.

Een jaar lang sloeg ik na het houtenhekje linksaf, over het net-niet paadje waar ik alleen zijdelings overheen kon en liep ik met ingetrokken buik langs het gaas door het kniehoge gras, om uiteindelijk uit te komen bij het kruidentuintje waar ik dagelijks verse munt pluk voor mijn kopje thee. Met de dag werd de route langer en mijn trek in muntthee kleiner.
Ik begrijp er helemaal niets van. Waarom heeft die mevrouw in die witte jas zo’n grote spuit in haar hand. Waarom komt ze steeds dichterbij en pakt ze me in mijn nekvel. Nee, dit wil ik niet, ik wil weg. Au, blijf van me af. Waarom doet mijn baasje niets? Wat gebeurt er?
Als ik met mijn maatje dans, loopt het vaak op ruzie uit. ‘Ik heb de leiding, dat hebben we toch afgesproken?’ “Ja, maar jij hebt geen ritmegevoel en je trapt altijd op mijn tenen”. Onze dans is meestal al voorbij voor hij echt begonnen is.