Wonderful world

De kunstenaar Dale Chihuly schijnt een wereldberoemdheid te zijn, maar ik had nog nooit van hem gehoord. Misschien kwam dat omdat hij veel met glas werkt en van glaskunst had ik een lage dunk, ik vond het kitsch. Tot een vriendin mij overviel met de vraag: ‘Ga je mee naar zijn tentoonstelling in het Groninger Museum?’ Soms moet je in naam van de vriendschap wat veren laten, dus ik zei ja.

Ik verwachtte niet veel: wat pruilende beeldjes, vertederende engeltjes, driehoekige vazen, poezelige troeteldieren, vers geblazen kaarsenstandaards en serviezen met zwoele wijnglazen. Zoiets. Ik ben een mens van weinig verwachtingen. Dat heeft zijn voordelen, je komt nog wel eens voor een verrassing te staan. Als het mee zit.

Bij binnenkomst in de eerste zaal, vreesde ik het ergste: een zaal vol liggende grote bollen. Geen idee wat het voorstelde. Ook de tweede zaal versterkte mijn vooroordeel over kunst van glas: protserige, raar uitgedoste vazen en andere prullaria. Kitsch van het zuiverste soort. En ik had nog acht zalen te gaan. Ik verlangde naar een kopje koffie en ging op zoek naar mijn vriendin. Die was in geen velden of wegen te bekennen.

Deze slideshow vereist JavaScript.

Dwalend door de gangen en zalen stond ik opeens oog in oog met een wonder. Ik was terechtgekomen in een onderwaterwereld vol kleuren, vormen, licht en beweging. Grote gele vlinders vlogen boven het water, rode halmen bewogen in de wind, en gekleurde bollen schurkten zachtjes tegen elkaar aan.

Ik probeerde het water aan te raken, maar kwam niet verder dan het oppervlak. Er was helemaal geen water, er was alleen een zwarte spiegel, waarin de boven- en de onderwereld elkaar ontmoetten. De vlinders vlogen dankzij de illusie van het water, de halmen bewogen omdat ik bewoog.

Op een bankje zat mijn vriendin stilletjes te genieten: ‘Mooi hè, wat Chihuly van glas maakt?’ Ik kon alleen maar sprakeloos knikken. Zoiets prachtigs had ik nog nooit gezien.

Het gevecht

Deze week was ik een dagje op pad, met de trein naar het verre Rotterdam. Ik had er een goede reden voor, de Rubens tentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen liep op zijn einde en ik was er nog niet geweest. Niet dat ik vaak naar een tentoonstelling ga, maar deze wilde ik niet missen.

Ooit hing er boven de zwartleren bank in mijn ouderlijk huis een donker, bijna zwart schilderij. Als je goed keek, maar dan moest je echt heel goed kijken, zag je wat er zich op afspeelde. Binnen de lijst vond een gevecht plaats op leven en dood. Soldaten te paard werden aangevallen door leeuwen en tijgers, bloed spoot in het rond, speren doorkliefden de woedende dieren.

Ik had aan één keer echt heel goed kijken genoeg. Buiten de lijst werd er door mijn ouders over geruzied of het een echte Rubens was, maar niemand wist het zeker. Om verder bloedvergieten te voorkomen hebben ze het nooit uitgezocht.

20190110_183819
Schets van Rubens in museum Boijmans

Op de tentoonstelling hing een schets van ‘Jachtpartij op tijgers, leeuwen en luipaarden’. Dat was hem, ons schilderij in een prille versie. Rubens moest nog heel wat schetsen maken voor het hem heftig genoeg was. Ons schilderij blijkt niet de definitieve versie, want dat hangt in Rennes, ons schilderij is een namaak. Bloederig genoeg, dat weer wel.

 

 

De eerste keer

Benthe weet eerst niet wat ze ermee aan moet. Voorzichtig zet ze een pootje op de grond, schrikt en deinst terug. Ik trek een warme jas aan en loop voor haar uit naar buiten. Nu durft ze wel. Ze kijkt naar boven, er valt iets op haar kop, maar het is geen regen, het voelt anders.

20181216_100927

Op hoge poten loopt ze door de tuin, haar neus maakt overuren. Opeens heeft ze het door, het is zacht en koud en je kunt er heerlijk in rennen en glijden. Rondje na rondje rent ze, ze is niet moe te krijgen.

Ze wil de hele dag niet meer naar binnen, zelfs niet om te eten. Vandaag heeft ze genoeg aan sneeuw.

Hoe móet dat nou?

Je hoopt dat het niet meer gebeurt, en dan gebeurt het toch. De allerlaatste opdracht van de schrijfcursus doet je steigeren, alwéér een spannend verhaal schrijven…

horse-3814350_1280Je weet natuurlijk wel dat schrijven een echt vak is, van ploeteren, zweten, uitgummen en opnieuw beginnen. Als je geluk hebt, heb je ook nog een beetje talent, maar waar je echt niet zonder kan, is inspiratie. Ergens moet een snaartje gaan trillen, een idee opborrelen, een gedachte het levenslicht zien. Er moet iets in beweging gezet worden, liefst al in de eerste zin. Maar wat nu als er in de schrijver zelf niets beweegt, als elk probeerwoord op het vel onverbiddelijk afgekeurd en weggestuurd wordt, van het papier verbannen, het zwijgen opgelegd.

Wat moet je dan? Dan lees je je aantekeningen van de schrijfcursus nog maar eens door, op zoek naar inspiratietips. Nergens te vinden, daar kom je niet verder mee. De zware zwerfkei die je woordenstroom blokkeert, blijft liggen waar ie ligt.

Wat doe je dan? Dan zucht je diep, drinkt een glaasje wijn, gooit hout op het vuur en knabbelt aan een nootje. En opeens reikt je hand naar je tablet en schrijf je: ‘Hoe móet dat nou’? En die woorden blijken bevrijdwoorden te zijn, er volgen er meer, je hersens worden wakker, de wijnfles leger. Je schrijft jezelf uit het vacuüm, net zolang tot je zeker weet dat een spannend verhaal schrijven niet jouw ding is.

‘Hoe dat nou móet’? Nou gewoon, nooit meer doen.