Wilg

Het waait dat het stormt
De takken van de wilgen houden dapper stand
Als je lenig bent, knap je niet zo gauw
De wilg in mij is ver te zoeken
Ergens onderweg ben ik hem kwijtgeraakt
En wat weg is blijft meestal weg
Als het waait dat het stormt

Maar misschien is dat wel helemaal niet erg

Blauwe kaplaarsjes

Ze is 6 jaar oud en ik heb haar niet eerder ontmoet. Ze is meegekomen met haar vader, die mij even helpt met een klusje in huis. Bij binnenkomst laat ze haar laarsjes buiten staan. Zonder enige terughoudendheid klimt en rolt ze op en over de bank, gevolgd door rondjes om de tafel. Ze commandeert me hardop te tellen hoeveel rondjes ze rent. En oh wee als ik me vergis, dan word ik meteen gecorrigeerd.

Wat heerlijk toch om zo vrij en onbevangen te zijn. Er zo op te kunnen vertrouwen dat het goed is wat je doet en wie je bent. Zo vanzelfsprekend zorgeloos spontaan, zo ontwapenend direct, zo één en al puurheid. Zo zonder vrees.

Ik wou dat ik nog 6 jaar was en blauwe kaplaarsjes had.

Dag Floris

En toen opeens, van de ene dag op de andere, was poes Floris op. Niks geen waarschuwingen of griepje om het einde aan te kondigen. Op vrijdag nog niets aan de hand op zaterdag doodziek. We hebben het nog geprobeerd met lieve woordjes, warme kruikjes en lekkere hapjes. Niets hielp. Floris kon niet meer, Floris wou niet meer. Op maandag heeft de dierenarts een punt gezet.

Floris was een poes met drie levens. In zijn eerste levensjaar is hij twee keer aangereden. Wonderbovenwonder heeft hij het twee keer overleefd. Daarna kon zijn derde leven beginnen. Een mooi leven, een lang leven, een buiten leven. Hij was dol op zijn maatje Benthe, die niet snapt waar Floris opeens gebleven is.

We hebben hem begraven in de tuin. Ik moest huilen, want zijn lijfje was nog warm en de grond koud. Er ligt nu een oude theedoek over hem heen, een blauw geruite. Die houdt hem voor altijd warm.

Dag Floris

Zicht op licht

Eeuwenlang staat hij er al
Hij heeft weer en wind, oorlog en vrede, hagel en donder overleefd
Hij is er altijd, als houvast voor wie houvast nodig heeft
Als eeuwig baken van hoop, want hij weet
’t Het nog nooit, nog nooit zo donker west
Of ’t wer altied wel weer licht

(tekst Ede Staal)

Stormvogel

Geknakt hang ik achterover, met nog één nagel vast aan de paal. Een storm met windkracht 8 heeft me geveld. Wegvliegen wil niet meer, pleisters plakken ook niet. Ooit stond ik als fiere wachter de tuin te bewaken. Ooit was ik de stoerste en de sterkste. Tegen weer en wind bestand.

Het leven van een stormvogel is hard. Zo wordt je bewonderd, zo donder je van je paal. En het ergste is, je wordt zonder pardon afgevoerd naar het oud schroot. Maar wat het allerergste is, je wordt gelijk vervangen door een nieuwe vogel. Een vrouwtjesvogel nog wel.

Beeld: Gerrit van Emous

Dit was ik in volle glorie.
Zeg nou eerlijk, daar kan toch geen vrouwtje tegenop.