Ik lig op een bed in het ziekenhuis. Geen idee hoe ik daar gekomen ben en wat er aan de hand is. Aan het voeteneind zit een vrouw in het wit. Ze praat tegen me, maar ik onthou niet wat ze zegt. Waar ben ik, vraag ik keer op keer, wat is er met me? Haar antwoorden verdwijnen in de mist in mijn hoofd. Ik ben bang en in de war.
Pas uren later snap ik wat er gebeurd is. Ik heb acuut geheugenverlies gehad (TGA). Zomaar, zonder aanleiding, kan iedereen overkomen. Gaat vanzelf weer over. Ik weet niets van de ambulance die me naar de spoed bracht, niets van de onderzoeken die ze gedaan hebben, niets van de uren tijdens en vóór mijn verdwijnen.

Want zo voelt het, ik was verdwenen, mezelf kwijt, niemand thuis. Mijn lichaam was er, maar mijn geest niet. Nog nooit ben ik zo ontredderd geweest. Met de hulp van dierbaren die niet van mijn zijde weken, heb ik mezelf weer teruggevonden.
Dezelfde Ingrid, maar nog wel wat moe.
Voor C, W, M, S, D, R, I en F