Ongemakkelijk

In de pauze van een bijeenkomst ga ik buiten op een bankje zitten. Even genieten van het najaarszonnetje. Op het bankje zit al iemand, ik groet en ga naast haar zitten. We zwijgen tot zij begint te praten. Over het plotselinge overlijden van haar moeder, over de slechte relatie met haar vader. De tranen stromen over haar wangen, terwijl ze vertelt en vertelt alsof ze me al jaren kent.

Ik voel me er niet bij op mijn gemak, bij deze emotionele ontboezemingen van een vreemde. Het liefst zou ik dat tegen haar zeggen, maar dat is me te bot. Daar is haar verdriet te groot voor. Dus ik bied haar een luisterend oor, wetend dat over tien minuten de pauze voorbij is. Als ze tegen me zegt dat het haar opgelucht heeft om het te kunnen vertellen, weet ik dat ik het goede gedaan heb, hoe ongemakkelijk ook.

Met dank aan Bob

Benthe en ik lopen over het pad midden door de weilanden als ons een vrouw in een rode jas tegemoet komt. Om haar heen dartelt een te dik hondje op te korte pootjes. Benthe ziet het hondje wel zitten en daagt hem uit te spelen. De vrouw vraagt of ik naar Loppersum loop. Nee. Loopt u dan naar Zeerijp? Nee, ook niet. Ik loop tot die hoek daar en dan weer terug.

Ze vraagt of ze mee mag lopen. Althans dat denk ik, want haar woorden stromen zo snel als een beekje in een Zwitserse alpenweide, in het voorjaar als de sneeuw hogerop smelt. Al murmelend vergezelt ze me naar de hoek. Ondertussen vraag ik me af hoe ik weer van haar af kom.

Bob, haar hondje, biedt uitkomst. Moe van het spelen met Benthe, die met zijn lange poten niet bij te houden is, loopt het beestje hijgend vlak achter mijn hielen. Ik vermoed dat hij even rust zoekt, rust van zijn ratelende baasje. Dat zint de vrouw niet, ze blijft stilstaan, roept Bob bij zich en loopt terug. Met dank aan Bob loop ik in stilte naar de hoek en stiekem nog een stukje verder.

Angsthazen

De afgelopen weken heb ik weinig tot niets gedaan. Dagenlang vertoefde ik in de hangmat en staarde ik naar mijn steeds bruiner wordende navel. Ik ken geen ontspannender manier van vakantie vieren dan navelstaren. Mijn mobiel lag opgeborgen in een la, Internet was uitgeschakeld. Ik en mijn navel, dat was genoeg.

Was ik bewindspersoon geweest, bijvoorbeeld Kaag, Bijleveld of Broekers-Knol, dan had mijn zomer er heel anders uitgezien. Dan had ik mijn stinkende best gedaan om alle Afghaanse tolken, chauffeurs, koks, fixers, schoonmakers die ooit voor de Nederlandse troepen hun leven hebben gewaagd, als de wiedeweerga uit Afghanistan te evacueren. En niet alleen hen, maar vooral ook hun dochters, vrouwen, zussen, tantes, nichtjes, moeders en oma’s.

Maar ik ben geen bewindspersoon, ik heb niet de internationale ervaring van Kaag of de ministeriële ervaring van Bijleveld, ben nooit voorzitter van de Eerste Kamer geweest zoals Broekers-Knol. Daarom kan ik het me veroorloven wekenlang in een hangmat naar mijn navel te staren. Maar zij drieën kunnen dat niet.

Drie vrouwen die precies weten wat er met Afghaanse meisjes en vrouwen gebeurt als de Taliban aan de macht is. En dan toch op hun handen blijven zitten. Bang voor hun politieke hachje, bang om hun nek uit te steken, bang om kiezers te verliezen. Door hun eigen belang boven het belang van de Afghaanse inwoners te stellen, laten ze zien waar een klein landje piepklein in kan zijn.

Mooiste plekje

Nee, ik ga niet naar Frankrijk, Spanje of Portugal. Ik ga me niet verdiepen in PCRtests, vaccinatiebewijzen, quarantaineregels of QR-codes. Ja, ik ben gevaccineerd dus ik mag het land uit. Maar nee, ik doe het niet, ik blijf hier. En hou vakantie op het mooiste plekje van Nederland. En nee, ik verklap niet waar dat is.

Fijne zomer en tot later.

Fakeschrijvers

Ik kreeg een uitnodiging van mijn favoriete schrijfjuf. Of ik mee wou doen aan een schrijfgroep voor gevorderden. Ja, juichte mijn buik, dat wil ik! Ik was niet de enige die ze gevraagd had. Er waren vijf gegadigden voor twee plekken. We moesten allemaal een motivatie schrijven. Ik schreef er twee, in de hoop dat dat mijn kansen verdubbelde.

Het mocht niet baten, ik liep een blauwtje. Even voelde ik me een loser, een prutschrijver, een pseudoblogger. Tot ik bedacht: maar ze heeft me wél uitgenodigd en dat betekent dat ze me goed genoeg vindt. Dat was een troost, zij het een schrale.

Ik zit nu mijn wonden te likken en mijn gekwetste ego te vertroetelen met chocolademuffins. Als die anderen er niet waren geweest, was er nu niets aan de hand. Dan kon ik hier vol trots over mijn sukses vertellen. Maar dat kan ik nu niet en dat is hún schuld. Fakeschrijvers zijn het, maar daar komt mijn juf nog wel achter. En dan komt ze met hangende pootjes terug bij mij. En dan zeg ik…