Een engel

Het werd avond.

Zijn we uitgevochten, vroeg een vrouw

Wij zijn uitgevochten, zei een engel.

en hij tilde de vrouw op, hield haar tegen het licht

en zei: je bent doorzichtig, nu.

Laat me maar los, zei de vrouw

en de engel knikte en liet haar los.


voor mijn tante †

vrij naar Toon Tellegen: Het werd avond

Een laatste blik

Voor de laatste keer op bezoek bij mijn zieke tante. Drie dagen geleden herkende ze me nog, vandaag niet meer. Ik voer haar appelmoes en vla, het enige dat ze nog eet.

Ze is al onderweg naar haar bestemming, ze hoeft alleen nog te arriveren. Ik hou haar hand vast en fluister lieve woordjes tot ze slaapt.

Een laatste aai over haar wang. Bij het verlaten van de kamer kijk ik nog één keer om.

Hangmannetje

Elke keer als ik hem in de pan hang gaat er een rilling door me heen. Wat moet het kokende water pijn doen aan zijn benen en billen. Daarom spreek ik hem altijd geruststellend toe: ‘je bent niet echt hoor, je bent van plastic dus je voelt er helemaal niets van’.

Het maakt niets uit, de volgende keer voel ik weer diezelfde rilling. Alsof ik mezelf over de rand van de pan hang en de hete stoom mij langzaam gaart. Klaar om op te eten. Daarom heb ik besloten het hangmannetje te ontzien en voortaan zelf de wacht te houden bij het kokende water. Niet als hangvrouwtje, maar netjes op een kruk op veilige afstand.

Onder de kastanjeboom

De takken gaan vervaarlijk heen en weer, de regen striemt in mijn gezicht. Op uitgerekend de natste, winderigste dag van het jaar doe ik samen met een goeie vriendin de najaarssnoei. We zagen en knippen, slepen met takken en stammen. De wilgenhaag wordt gekortwiekt, de rode hazelaar met zijn lange staken gefatsoeneerd. Er komt weer licht en lucht in de donkere hoekjes van de tuin.

Aan het einde van de dag schuilen we onder de kastanjeboom. We raken aan de praat. Terwijl de regen valt en de schemering inzet vergeten we de wereld om ons heen. We merken niet dat het kouder wordt en vergeten hoe moe we zijn. Na een uur staan we er nog. De tuin is klaar, wij nog lang niet.

Voor Renie

Bang voor de dierenarts

Hond Benthe moet voor zijn jaarlijkse controle en vaccinatie naar de dierenarts en ik moet mee. Ik zie er erg tegenop. Zo’n dierenarts is voor mij een soort God, die al mijn fouten in de opvoeding genadeloos zal afserveren. “Mevrouwtje, u heeft uw hond niet goed opgevoed, kijk nou, hij springt tegen me op en probeert me een lik te geven”. En dat ik daar dan blozend en stotterend sta en wat onverstaanbaars mompel.

Nu heb ik het geluk dat Benthe de leukste, liefste, mooiste hond is die er bestaat en dat hij alles en iedereen aardig vindt, ook de dierenarts. Hij gaat huppelend de spreekkamer in en komt er huppelend weer uit. Ja, hij springt tegen de dierenarts op en probeert snoepjes van zijn bureau te jatten. Ja, hij steekt zijn neus in de la met medicijnen. Maar hij doet het zo charmant en ondeugend dat de dierenarts erom moet lachen.

Aan het eind van het consult krijgt Benthe een brokje en ik een koekje. Samen huppelen we de spreekkamer uit. Mijn angst voor de dierenarts is over.