Na meer dan twee maanden lockdown zijn mijn huis en tuin mijn veiligste plek op aarde geworden. Ik ga mondjesmaat de deur uit, niet te lang, niet te ver. De provinciegrens heb ik pas één keer overschreden. Ik versoepel niets, hou mijn wereld klein en ga van de zomer niet op vakantie.
Maar nu probeert de KLM me toch te verleiden. Met geavanceerde luchtstromen, hypermoderne filters en chirurgische mondmaskers zijn hun vliegtuigen gegarandeerd virusvrij. Dat klinkt geruststellend, ik zou er bijna voor bezwijken. Maar misschien begrijp ik het wel verkeerd. Misschien is alleen het virus vrij om te vliegen, maar zijn de passagiers dat niet. En betalen die de rekening, met hun leven. Ik pas.

De eerste weken van de lockdown was ik bang. Die angst voel ik nu weer. Het gaat allemaal veel te snel, het virus is nog onder ons. De eerste hobbel is genomen, de curve afgeplat. Maar er is nog geen vaccin, er zijn nog geen medicijnen. Mijn lieve schoonzus woont in een verpleeghuis waar corona heerst, ik hou mijn hart vast. En dan zou ik nu de teugels al laten vieren, terwijl zij… Nee, nee, nee, ik doe hier niet aan mee.
Ik fietste liever in mijn eentje door het dorp, dan samen met mijn vader en moeder thuis te blijven. Thuis, waar ik me op 4 mei meer alleen voelde dan ooit. Pas jaren later begreep ik hun zwijgen, begreep ik het leed dat er onder schuil ging. En kon ik rouwen om de eenzaamheid waar we als gezin in gevangen zaten.
Ze vertelt fragmenten, schetst de contouren van de verschrikkingen en schampt rakelings langs haar pijn. Af en toe stel ik een voorzichtige vraag, vaker luister ik alleen maar. De oorlog is in haar nog aanwezig alsof het gisteren was. Nu ze steeds dichter bij het einde van haar leven komt, wordt het begin steeds feller belicht. De enige troost die ik haar kan bieden is een luisterend oor.