De bel gaat, Benthe en ik doen wie het eerste bij de deur is. Benthe wint. Met moeite hou ik haar bij haar halsband tegen en open ik de deur. Er staat een man met een bos bloemen in zijn handen. Opnieuw ontstaat er een strijd tussen Benthe en mij: we willen het boeket allebei hebben. Deze keer win ik.
Waarom krijg ik vandaag bloemen? Ik ben niet jarig en ook niet geslaagd voor mijn eindexamen. Ik heb niemand helpen verhuizen en mijn laatste goede daad is ook alweer van een tijdje geleden. Dus waarom en van wie?
De man weet het ook niet, hij is alleen maar de bezorger van de verrassing. Het kaartje brengt uitkomst. Een goede vriendin laat me weten dat ze aan me denkt. Niet om het een of ander, maar zomaar.
De tranen springen in mijn ogen, Benthe kruipt dicht tegen me aan.
Ik ben nu op de helft van mijn lijstje en het is al bijna vier uur. De tijd begint te dringen, het tuinafval lukt niet meer, de bibliotheek misschien nog net, voor Ronald Garros moet ik om half zes weer thuis zijn en mijn vriendin heeft al gebeld waar ik blijf. Dat wordt rennen.
Woorden van Commissaris van de Koning René Paas in zijn 