De trein zoeft door het net ontwaakte Groninger land. De velden zijn kaal, de oogst is bijna binnen, de aarde gaat in winterrust. Dat geldt niet voor mij, want ik ben op weg naar Stad voor de eerste les van mijn tweede schrijfcursus.
Ik heb mijn winterrust zomers, als de schrijfjuf me een paar maanden niet achter de vodden zit. “Je kunt het Ingrid, je kunt het, het hoeft er alleen nog maar uit te komen”. ‘Hoe lang duurt dat nog?’, vraag ik elke les wanhopig. “Je moet gewoon al mijn lessen volgen, dan komt het vanzelf goed”.
De trein rijdt Groningen binnen, zuchtend fiets ik naar de cursus. Nog negen lessen te gaan.
De appelbomen laten hun appels vallen, de walnoten houden zich nog krampachtig vast aan hun boom. In het dorp zijn twee nieuwe geiten komen wonen, met vrolijk gemekker begroeten ze elke voorbijganger. Op de aanlegsteiger bij het maar heeft zich een grote ganzenfamilie gevestigd, vier ouders en vijf kinderen. Het lijkt wel voorjaar.
Haar jong, die het nog moet doen met een beginnend kroontje, kijkt nieuwsgierig toe. “Waarom heb je dat gedaan, mama”? “Omdat jullie moeten leren dat je, als je bij de buurvrouw op bezoek gaat, op je pauwbest voor de dag moet komen”.
Vandaag hebben we iets nieuws uitgeprobeerd. Het baasje is voor de gezelligheid ook op het vloerkleed gaan zitten. Benthe zag haar kans schoon. Maar de baas moest wel haar pootjes vasthouden, want in haar eentje liggen vindt ze nog een klein beetje moeilijk.