Op een zonnige najaarsavond klim ik met negen andere durfals in een grote rieten mand. Boven ons hangt een immense luchtballon. De piloot geeft gas en in een majestueus vaartje stijgen we op, de grond blijft achter.
Het grote genieten kan nu beginnen, maar het blijkt van korte duur. Onder mij zie ik loeiende koeien, blatende schapen en hinnikende paarden in paniek wegrennen. Ze snappen er niets van, zo’n vuurspuwende draak boven hun hoofd. Wegwezen!
Maar waar kunnen ze naar toe? Elk weiland, elk perceel grond is afgebakend. Prikkeldraad, water of weg, vormen de begrenzing van hun leefgebied. Ze kunnen geen kant op.
Terug op aarde rijd ik langs de koeien, de schapen en de paarden om mijn excuses aan te bieden. Ook voor de onscherpe foto.

Een jaar lang sloeg ik na het houtenhekje linksaf, over het net-niet paadje waar ik alleen zijdelings overheen kon en liep ik met ingetrokken buik langs het gaas door het kniehoge gras, om uiteindelijk uit te komen bij het kruidentuintje waar ik dagelijks verse munt pluk voor mijn kopje thee. Met de dag werd de route langer en mijn trek in muntthee kleiner.
Ik begrijp er helemaal niets van. Waarom heeft die mevrouw in die witte jas zo’n grote spuit in haar hand. Waarom komt ze steeds dichterbij en pakt ze me in mijn nekvel. Nee, dit wil ik niet, ik wil weg. Au, blijf van me af. Waarom doet mijn baasje niets? Wat gebeurt er?