Als ik met de hond ga wandelen passeer ik altijd onze scheve boom. Hij staat naast het huis, gevaarlijk overhellend richting het pad. Zijn takken buigen steeds dichter naar de grond, in de schaduw van de bladeren groeien paddenstoelen in het gras. Elke keer als ik langsloop, gluur ik vanuit mijn ooghoeken naar de boom: hangt hij niet schever dan gisteren, raken de bladeren nu echt de grond, hoor ik daar geen zacht gekraak?
Hoe schuin kan een boom groeien voor hij omvalt? Hoe lang kunnen zijn wortels de aantrekkingskracht van de aarde weerstaan en zijn stam rechtop houden? Wanneer keert hij terug naar waar hij vandaan komt?
Vragen die me bezig houden terwijl ik naar mijn vrolijk huppelende hond kijk. Hij heeft heel andere zorgen: ‘Wiens plasje is dit, waar zitten muizen, wanneer mag ik los?’
Scheefgroei, het zal hem worst wezen. ‘Hmmm, ja lekker, worst’,
‘
De plechtigheid vindt plaats in de schuur, tussen de strobalen, onder de eeuwenoude gebinten waar de spinnenwebben treurend aan de balken hangen. De familie zit op stoelen, gebroken. Het is muisstil, geen muziek, af en toe ritselt het stro.
Even later zit ik op een stoel naast haar bed en pak ik haar hand. “Heb je pijn”, vraag ik. Haar “nee” is nog net verstaanbaar. Ze probeert nog wat te zeggen, maar de woorden blijven achter haar lippen steken.
Het grote genieten kan nu beginnen, maar het blijkt van korte duur. Onder mij zie ik loeiende koeien, blatende schapen en hinnikende paarden in paniek wegrennen. Ze snappen er niets van, zo’n vuurspuwende draak boven hun hoofd. Wegwezen!