Paarden en suikerbieten

De suikerbieten op het erf van de boer liggen al maanden te wachten tot ze opgehaald worden. Het zijn er dit jaar zoveel dat er voor de paarden bijna geen plek meer is. Als het land te nat is kunnen de paarden de wei niet in, ze hebben dan een eigen plekje op het erf. Met als enig uitzicht: duizenden suikerbieten.

Aan een suikerbiet is eigenlijk weinig te zien. Het is een bonkig, schonkig ding met modder eraan. Als ik een paard was, zou ik er snel op uitgekeken zijn. Voor deze paarden geldt dat ook. Elke keer als ik langs loop kijken ze op en begroeten ze me met een luid gehinnik: “Ah, ben je daar weer, eindelijk afleiding, eindelijk een praatje”.

We hebben het dan even over het weer en hoe fijn het zou zijn als ze snel de wei weer in kunnen. Bij het afscheid beloof ik altijd de volgende dag weer langs te komen. Dat dat niet altijd lukt nemen ze me niet kwalijk, want of ik nu kom of niet, ze verheugen zich elke dag weer op mijn komst. En dat leidt ze toch maar mooi af van die saaie suikerbieten.

Dronken

Vroeger, in mijn studentenjaren, dronk ik wel eens een glaasje te veel. Een avondje of een nachtje doorzakken hoorde erbij in de studentenflat waar ik woonde. Je bent jong en je wilt wat. En als je wat verlegen bent, helpt alcohol daar prima bij.

Nu ik niet meer jong ben, heb ik genoeg aan af een toe een glaasje. Maar altijd met mate. En toch heb ik sinds kort last van dronkenschap, in één oog. Bezie ik de wereld door mijn rechteroog dan waan ik me terug in de flat: de muren bewegen, details zijn een blur, wat recht was is krom. Kijk ik door mijn linkeroog dan ben ik zo nuchter als een dominee die zich voorbereidt op de dienst. De kerkbanken staan keurig in het gelid, de bloemen rechtop in de vaas.

Deze keer komt het niet door een glaasje te veel, maar door een bloedinkje in mijn oog. Gevalletje pech. Was de kater vroeger van korte duur, nu duurt ie veel langer. De oogarts zegt dat ik nog maanden dronken zal zijn. Aan één oog. Gelukkig heb ik er nog eentje.

Quality touched by Fiona

Beeldhouwen is kijken, heel veel kijken. En twijfelen, heel veel twijfelen. En dan opeens een beitel pakken en denken: wat maakt het ook uit, als het mislukt is er altijd nog een volgende steen. Met deze bravoure begin ik in het voorjaar aan het maken van een beeld voor in de tuin. Niet in mijn eentje, maar samen met een heuse beeldhouwer: Fiona Zondervan. Ze leert me kijken, stelt me gerust als ik twijfel, moedigt aan en laat me mijn gang gaan. Want haar uitgangspunt is: “het is jouw steen dus jij bepaalt”.

Dat vind ik het fijne van beeldhouwen: de steen is van mij, ik kan ermee doen wat ik wil. Dat geeft me de vrijheid om mijn intuïtie te volgen, ik hoef me niet aan regels te houden, het hoeft nergens op te lijken en het hoeft zelfs niet mooi te worden. Ik hak, boor, slijp en vijl zonder precies te weten waar ik naar toe op weg ben. Er moet een gat in de steen, dát weet ik wel.

Het is inmiddels december, de steen is een beeld geworden en heeft een plekje gevonden in mijn tuin. Ik moet denken aan vroeger toen ik een Giant racefiets had. Op de stang stond ‘Quality touched by Koga’. Mijn fiets was aangeraakt door het topmerk onder de fietsen. Trots was ik, heel trots.

Nu, vele jaren later, heb ik een zelfgemaakt beeld: ‘Quality touched by Fiona’. Trots ben ik, heel trots.

Wintertenen

Bij ons thuis is de winter vroeg ingezet. Gehuld in een dikke laag kleren, zit ik bij het straalkacheltje te kleumen. We zitten nu een week in de kou. De nieuwe warmtepomp laat het nog steeds afweten. Het huis is tot op het bot verkild, de muren klagen steen en been. We hebben onze toevlucht genomen tot de keuken waar we samen met hond Benthe en poes Floris wachten op betere tijden. De zon biedt nog enige troost.

Af en toe gaat de telefoon. De installateur van de warmtepomp laat weten dat ze er nog niet uit zijn. Wie is er nou eigenlijk verantwoordelijk voor het fiasco: de installateur of de leverancier van de pomp? Wie had beter zijn best moeten doen? Ze komen er niet uit.

We slaken ondertussen met z’n vieren de zoveelste zucht van moedeloosheid. Ons maakt het niet uit wiens schuld het is, als het huis maar weer warm wordt. Want bij wintertenen helpt alleen warmte en precies daaraan hebben we tekort. Denk dat ik maar aan het breien sla. Tenenwarmers bijvoorbeeld. Schijnt ook goed tegen coronastress te zijn.

Tjakka

Vanochtend vroeg uit de veren. Om acht uur het installatiebedrijf bellen om een storing te melden. Onze nieuwe hybride warmtepomp heeft al voor de derde keer in twee weken kuren. Ons wordt een monteur beloofd. Om twaalf uur nog maar een keertje bellen, waar blijft ie?

Om half twee rijdt het ons inmiddels te bekende autootje voor. De monteur verdwijnt in de bijkeuken, komt er drie uur later weer uit en zegt: “ik geef het op, de leverancier van de warmtepomp moet het maar oplossen”. ‘Dan zitten we dus zonder verwarming’, merk ik kribbig op. “Ja”, zegt hij, “en ook zonder warm water”. Haastig pakt hij zijn spullen en maakt zich uit de voeten.

Mijn woede leef ik uit op de warmtepomp. Bam, daar gaat de waterdruksensor aan diggelen. Tjakka, het voorpaneel ligt in tweeën. Ook het waterreservoir moet het ontgelden. Als een aangereden hert liggen de bloederige resten verspreidt over de natte vloer.

Knappe kop die hier nog een warmtepomp van kan maken.