Deze week was ik een dagje op pad, met de trein naar het verre Rotterdam. Ik had er een goede reden voor, de Rubens tentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen liep op zijn einde en ik was er nog niet geweest. Niet dat ik vaak naar een tentoonstelling ga, maar deze wilde ik niet missen.
Ooit hing er boven de zwartleren bank in mijn ouderlijk huis een donker, bijna zwart schilderij. Als je goed keek, maar dan moest je echt heel goed kijken, zag je wat er zich op afspeelde. Binnen de lijst vond een gevecht plaats op leven en dood. Soldaten te paard werden aangevallen door leeuwen en tijgers, bloed spoot in het rond, speren doorkliefden de woedende dieren.
Ik had aan één keer echt heel goed kijken genoeg. Buiten de lijst werd er door mijn ouders over geruzied of het een echte Rubens was, maar niemand wist het zeker. Om verder bloedvergieten te voorkomen hebben ze het nooit uitgezocht.

Op de tentoonstelling hing een schets van ‘Jachtpartij op tijgers, leeuwen en luipaarden’. Dat was hem, ons schilderij in een prille versie. Rubens moest nog heel wat schetsen maken voor het hem heftig genoeg was. Ons schilderij blijkt niet de definitieve versie, want dat hangt in Rennes, ons schilderij is een namaak. Bloederig genoeg, dat weer wel.


Je weet natuurlijk wel dat schrijven een echt vak is, van ploeteren, zweten, uitgummen en opnieuw beginnen. Als je geluk hebt, heb je ook nog een beetje talent, maar waar je echt niet zonder kan, is inspiratie. Ergens moet een snaartje gaan trillen, een idee opborrelen, een gedachte het levenslicht zien. Er moet iets in beweging gezet worden, liefst al in de eerste zin. Maar wat nu als er in de schrijver zelf niets beweegt, als elk probeerwoord op het vel onverbiddelijk afgekeurd en weggestuurd wordt, van het papier verbannen, het zwijgen opgelegd.
Als ik klaar ben, ontdek ik dat hij zijn boodschappenlijstje heeft laten liggen. Hij was nog niet klaar met boodschappen doen, maar het belangrijkste had hij al wel gekocht: