Dag Floris

En toen opeens, van de ene dag op de andere, was poes Floris op. Niks geen waarschuwingen of griepje om het einde aan te kondigen. Op vrijdag nog niets aan de hand op zaterdag doodziek. We hebben het nog geprobeerd met lieve woordjes, warme kruikjes en lekkere hapjes. Niets hielp. Floris kon niet meer, Floris wou niet meer. Op maandag heeft de dierenarts een punt gezet.

Floris was een poes met drie levens. In zijn eerste levensjaar is hij twee keer aangereden. Wonderbovenwonder heeft hij het twee keer overleefd. Daarna kon zijn derde leven beginnen. Een mooi leven, een lang leven, een buiten leven. Hij was dol op zijn maatje Benthe, die niet snapt waar Floris opeens gebleven is.

We hebben hem begraven in de tuin. Ik moest huilen, want zijn lijfje was nog warm en de grond koud. Er ligt nu een oude theedoek over hem heen, een blauw geruite. Die houdt hem voor altijd warm.

Dag Floris

Zicht op licht

Eeuwenlang staat hij er al
Hij heeft weer en wind, oorlog en vrede, hagel en donder overleefd
Hij is er altijd, als houvast voor wie houvast nodig heeft
Als eeuwig baken van hoop, want hij weet
’t Het nog nooit, nog nooit zo donker west
Of ’t wer altied wel weer licht

(tekst Ede Staal)

Stormvogel

Geknakt hang ik achterover, met nog één nagel vast aan de paal. Een storm met windkracht 8 heeft me geveld. Wegvliegen wil niet meer, pleisters plakken ook niet. Ooit stond ik als fiere wachter de tuin te bewaken. Ooit was ik de stoerste en de sterkste. Tegen weer en wind bestand.

Het leven van een stormvogel is hard. Zo wordt je bewonderd, zo donder je van je paal. En het ergste is, je wordt zonder pardon afgevoerd naar het oud schroot. Maar wat het allerergste is, je wordt gelijk vervangen door een nieuwe vogel. Een vrouwtjesvogel nog wel.

Beeld: Gerrit van Emous

Dit was ik in volle glorie.
Zeg nou eerlijk, daar kan toch geen vrouwtje tegenop.

Een glimlach in mijn hart

Mijn dierbare tante is er niet meer, gisteren heb ik definitief afscheid van haar genomen.

Als kind was ze voor mij mijn ‘goede’ moeder, waar mijn eigen moeder dat niet voor me kon zijn. Mijn moeder leeft al een aantal jaren niet meer, maar ik heb nu pas bij het overlijden van mijn tante, echt het gevoel dat ik mijn moeder kwijt ben.

Is de herinnering aan mijn eigen moeder eentje die somber stemt, de herinnering aan mijn tante is als de opkomende zon boven een helderblauw meertje. Een vrouw zo warm, zo vol liefde en ondanks de tegenslagen in haar leven zo onverwoestbaar optimistisch. Een vrouw met een groot hart, waar haar jonge nichtje zich aan mocht laven. Waar ze leerde dat ze er mocht zijn en de moeite waard was.

Als ik aan mijn tante denk is het gemis groot, maar de glimlach in mijn hart nog groter.

Maar één

Ik leef de dagen tussen het overlijden van mijn tante en de afscheidsdienst in een soort niemandsland. Ze is er niet meer en tegelijkertijd is ze er nog wel. Ik kan nog naar het rouwcentrum om haar te zien, ik kan haar nog aanraken, ik kan nog bij haar zijn. Maar dat wil ik niet, want zíj is er niet meer.

Ik tel de dagen tot ik definitief afscheid van haar kan nemen. Ondertussen poets ik het huis, leg ik mijn mooiste kleren klaar, regel ik onderdak, kijk ik naar een spannende serie, zit ik voor me uit te staren.
Laat een traan, bel mijn oom die alleen achterblijft en ontroostbaar is, schrijf een speech, hark de bladeren, lap de ramen en denk aan haar, de hele dag door.

Ruimte voor iets anders is er niet in mij. Geen afspraakjes, geen telefoontjes, geen gedoe. Mijn hoofd en mijn hart zijn gevuld met het heengaan van mijn favoriete tante. Van zo’n tante heb je er maar één.

Van zo’n tante had ik er maar één.