Maar één

Ik leef de dagen tussen het overlijden van mijn tante en de afscheidsdienst in een soort niemandsland. Ze is er niet meer en tegelijkertijd is ze er nog wel. Ik kan nog naar het rouwcentrum om haar te zien, ik kan haar nog aanraken, ik kan nog bij haar zijn. Maar dat wil ik niet, want zíj is er niet meer.

Ik tel de dagen tot ik definitief afscheid van haar kan nemen. Ondertussen poets ik het huis, leg ik mijn mooiste kleren klaar, regel ik onderdak, kijk ik naar een spannende serie, zit ik voor me uit te staren.
Laat een traan, bel mijn oom die alleen achterblijft en ontroostbaar is, schrijf een speech, hark de bladeren, lap de ramen en denk aan haar, de hele dag door.

Ruimte voor iets anders is er niet in mij. Geen afspraakjes, geen telefoontjes, geen gedoe. Mijn hoofd en mijn hart zijn gevuld met het heengaan van mijn favoriete tante. Van zo’n tante heb je er maar één.

Van zo’n tante had ik er maar één.

Een engel

Het werd avond.

Zijn we uitgevochten, vroeg een vrouw

Wij zijn uitgevochten, zei een engel.

en hij tilde de vrouw op, hield haar tegen het licht

en zei: je bent doorzichtig, nu.

Laat me maar los, zei de vrouw

en de engel knikte en liet haar los.


voor mijn tante †

vrij naar Toon Tellegen: Het werd avond

Een laatste blik

Voor de laatste keer op bezoek bij mijn zieke tante. Drie dagen geleden herkende ze me nog, vandaag niet meer. Ik voer haar appelmoes en vla, het enige dat ze nog eet.

Ze is al onderweg naar haar bestemming, ze hoeft alleen nog te arriveren. Ik hou haar hand vast en fluister lieve woordjes tot ze slaapt.

Een laatste aai over haar wang. Bij het verlaten van de kamer kijk ik nog één keer om.

Hangmannetje

Elke keer als ik hem in de pan hang gaat er een rilling door me heen. Wat moet het kokende water pijn doen aan zijn benen en billen. Daarom spreek ik hem altijd geruststellend toe: ‘je bent niet echt hoor, je bent van plastic dus je voelt er helemaal niets van’.

Het maakt niets uit, de volgende keer voel ik weer diezelfde rilling. Alsof ik mezelf over de rand van de pan hang en de hete stoom mij langzaam gaart. Klaar om op te eten. Daarom heb ik besloten het hangmannetje te ontzien en voortaan zelf de wacht te houden bij het kokende water. Niet als hangvrouwtje, maar netjes op een kruk op veilige afstand.

Onder de kastanjeboom

De takken gaan vervaarlijk heen en weer, de regen striemt in mijn gezicht. Op uitgerekend de natste, winderigste dag van het jaar doe ik samen met een goeie vriendin de najaarssnoei. We zagen en knippen, slepen met takken en stammen. De wilgenhaag wordt gekortwiekt, de rode hazelaar met zijn lange staken gefatsoeneerd. Er komt weer licht en lucht in de donkere hoekjes van de tuin.

Aan het einde van de dag schuilen we onder de kastanjeboom. We raken aan de praat. Terwijl de regen valt en de schemering inzet vergeten we de wereld om ons heen. We merken niet dat het kouder wordt en vergeten hoe moe we zijn. Na een uur staan we er nog. De tuin is klaar, wij nog lang niet.

Voor Renie