De vink die een eend wil zijn

In onze badkamer woont een jong eendengezin. Ze badderen in het bad, eten de muggen die door het openstaande raam naar binnen vliegen en rusten uit op de vensterbank. In de tuin woont een vink die op zoek is naar gezelschap. Hij of zij heeft zijn oog laten vallen op de eendenfamilie. Al dagen lang doet hij verwoede pogingen hun aandacht te trekken. Hij zingt zijn mooiste lied, voert kamikazeacties uit op het raam en poept op het kozijn. Niets helpt. De eenden kijken niet op of om.

De vink doet me denken aan een afgewezen minnaar die tegen beter weten in hoopt dat het toch nog goed komt. Of aan een premier die niet van ophouden weet. Arme vink, ik begrijp zijn verlangen en ga hem helpen. Ik verkas familie eend van de badkamer naar de tuin, waar ze een heuse vijver tot hun beschikking hebben. Ze gaan de vink leren zwemmen en kwaken. Als een liegbeest premier kan zijn, waarom een vink dan geen eend?

De muil van het beest

Ik had nog nooit een pelletkachel in het echt gezien. Maar in het vakantiehuisje waar ik dit weekend was stond er eentje. Als een vogel die zijn kleintjes voert, slokt het vuur de houten wurmpjes op. Elk wurmpje wordt met luid gebrom ontvangen, waarna het vuur weer knetterend oplaait. Zet je de kachel uit dan draait de ventilator nog lang door om de kachel af te koelen.

Het huisje stond midden in het bos, je hoorde er alleen het getjilp van vogels en het kraaien van een haan. Urenlang hebben we gewandeld, terug naar het huisje gaan stelden we zo lang mogelijk uit. Daar wachtte ons een lawaaiig beest met een grote muil. Als een vogel zoveel herrie zou maken bij het voeren van zijn kleintjes zouden vogels allang uitgestorven zijn. Hoe fijn zou het zijn als de pelletkachel dit lot te wachten staat.

Vurig land

Op het Groningerland is ontzettend weinig te zien en tegelijk heel veel. Als je goed kijkt zie je links de kerktoren van Zeerijp, een toren die de hele omgeving domineert. Die toren vertelt van eeuwenlange bewoning, van lief en leed, van slag en stoot, van horigen en jonkers. Elk dorp in dit weidse land heeft een kerktoren met een eigen verhaal. Als je goed luistert hoor je de klokken luiden over de voortschrijdende tijd, over huwelijken en begrafenissen, over oorlog en vrede.

Van de week zag ik Zeerijp in vuur en vlam staan. De zon ging onder, de wolken spraken van de nacht, grote groepen ganzen waren gakkend op weg naar hun slaapweilanden. De wind was gaan liggen. Geen verkeer op de weg, geen mens buiten. De klokken wensten elkaar ‘goede nacht en tot morgen’, wanneer ze weer verder gaan met geschiedschrijven over het vurige Groningerland.

Naar eer en geweten

Als meisje van tien heb ik eens samen met een vriendje van tien stiekem mijn eerste sigaret gerookt. Verstopt achter de garage in zijn tuin. Spannend was het en best wel vies. Maar wat voelden we ons groot en wat voelden we ons stoer.

Ik had iets gedaan wat niet mocht, mijn moeder was daar heel duidelijk over, en ik was ervan overtuigd dat het op mijn voorhoofd geschreven stond. Ze zou het vast aan me zien. Jokken ging me al niet goed af, maar dit zou echt liegen zijn. Zenuwachtig ging ik naar huis.

Zodra ik mijn moeder zag barstte ik in tranen uit en biechtte het op. Ze nam me op schoot en droogde mijn tranen. En leerde me zo dat iets verkeerds doen niet erg is, als je er maar eerlijk over bent.

Had de baas van Nederland ook maar zo’n moeder gehad.

De kleren van de keizer

Daar staat hij dan

Alleen

De striemen op zijn rug schrijnen

Hij is op zichzelf aangewezen

Voor het eerst van zijn leven

Weet hij niet wat hij moet doen

Hij zoekt zijn geheugen af

Maar kan niets vinden

Geen visie, geen moreel kompas

Hij is de keizer zonder kleren

Hij is de man die niemand zich herinnert


Cartoon: Siegfried Woldhek