Hond Benthe heeft het niet zo op autorijden. Als ze ziet dat ze de auto in moet, blijft ze stokstijf staan. Geen poot verzet ze meer, zelfs met het lekkerste stukje vlees is ze niet te verleiden. Zo krijgt ze wel voor elkaar dat ze elke keer op koninklijke wijze de auto in getild wordt. Wel zo makkelijk, zie je haar denken.
Tot vanmorgen. Benthe en ik brengen een vriendin naar het station en lopen gezellig mee naar het perron. Weer terug bij de auto springt ze, alsof het de normaalste zaak van de wereld is, op de achterbank. Mijn mond valt open. Waarom nu opeens wel?

Op de terugrit gaat me een lichtje branden. Het station heeft een pleintje met een stoeprand. Daardoor is de auto voor Benthe minder hoog. Dat moet wel de reden zijn dat ze er nu zelf inspringt.
Maar nu doemt gelijk het volgende probleem op: ons dorp heeft geen enkele stoep, alles is platvloers. Dus de vraag is nu: hoe kom ik aan een stoep?
Niet omdat ik een hekel heb aan deze dagen, integendeel. Houtkacheltje aan, filmpje op, glaasje wijn erin. Waarbij voor mij niet de kerstmaaltijd maar het goede gezelschap centraal staat. Het eten is bijzaak, ook van een lekkere stamppot word ik blij.
Ik heb me erop gekleed: kaplaarzen, regenbroek, regenjas aan. Hond Benthe hoeft geen regenkleding, hij is op alle weersomstandigheden voorbereid. Als er maar gewandeld wordt, daar gaat het om. Hij rent van hot naar her, op zoek naar muizen. Elk holletje wordt uitgegraven, meestal zonder resultaat.
De bruine ruigte van de heide in de herfst. Her en der een boom, niet te veel. Nu en dan een mens, niet te vaak. Schapen in de verte, zonder herder. Een hekje dat dichtklapt, de schrik in de ogen van een hond.
De eigenaar van het familierestaurant bereidt zich voor op een drukke zaterdagavond. In overleg met zijn vrouw verdeelt hij de tafels voor het wildbuffet. Centraal in de ruimte staan de warmhoudpannen al klaar. In Wijnjewoude houden ze wel van wild, reserveren is niet meer mogelijk.