Je ziet ze steeds vaker. Buitenbeentjes. Loop een willekeurige supermarkt binnen en je vindt ze op de groenteafdeling. Rechte bananen, vierkante appels, gedeukte paprika’s, wortels met drie tenen. Dacht ik altijd dat elke banaan krom is, blijkt dat helemaal niet zo te zijn. Bananen zijn vrijbuiters, die willen alle kanten op groeien. Maar dat mochten ze niet, want dan bliefden we ze niet.

Sinds kort is dit veranderd, we zijn toleranter geworden. Anders zijn is ín. Een appel met een deukje of een paarse peer, mens doe eens gek en smul ervan. Mijn courgetteplant doet ook een duit in het zakje en werpt vandaag een dolfijn met jong. Het moet niet gekker worden, als dolfijnen op courgettes gaan lijken wordt mijn tolerantie wel erg opgerekt.

Er was een tijd dat ik nog geen tante was, toen was ik alleen maar een zus. Tante word je pas als je zus of broer kinderen krijgt. Voor mijn nichtje ligt dat anders, toen zij geboren werd kreeg ze gelijk een tante erbij. Dat wist ze op dat moment nog niet, maar al gauw kreeg ze door dat die vrouw die zo op haar moeder leek, wel erg vaak op bezoek kwam.
Vanuit elk etablissement kijk je uit over het eindeloze Groninger land. Goudgele tarwe, het groene blad van suikerbieten en de strak in het gelid staande aardappels vormen het gezamenlijke decor van een variëteit aan eetervaringen. Niet dat ik ze allemaal uitgeprobeerd heb, want vlees en vis zijn niet mijn ding en ik eet graag biologisch. De keukens kan ik dus niet beoordelen, maar hun uitzicht over de velden wel. En dat is adembenemend.