De afgelopen weken is er een voortvarendheid in ons geslopen, waar we zelf van staan te kijken. Nu ons buitenshuise leven stil ligt, is onze tuin het centrum van onze wereld geworden. De boomgaard is gesnoeid, de tot de hemel groeiende wilgentakken gaan er deze week af, er komt een nieuwe boom, de overstromende bult tuinafval wordt afgevoerd en de schuur geverfd. En dat is nog niet alles.
Waar komt die daadkracht opeens vandaan? Vroeger, voor 16 maart, stelden we beslissingen eindeloos uit. ‘Hoe dan, wat dan en door wie? Te veel gedoe, laten we het volgend jaar maar doen’. Daar kwam het kortgezegd op neer. Sinds 16 maart zijn we gedwongen tot een uitgekleed leven, eigen huis en tuin staan centraal, de buitenwereld is voorlopig niet te betreden.
Dat maakt ons leven niet persé leuker, maar wel simpeler. We hebben minder te kiezen en dat vergroot onze keuzesnelheid enorm. De tuin vaart er wel bij, ons huis binnenkort ook. Nu maar hopen dat we alles af hebben voordat de wereld weer open gaat en onze besluitvaardigheid terugzakt naar pré-Corona niveau.
ctie staat in schril contrast met de zorgzaamheid en vriendelijkheid die ik overal om me heen ontmoet. Iedereen houdt rekening met iedereen en zorgt dat de ander genoeg ruimte heeft om boodschappen te doen of een brug over te fietsen. Behalve deze jonge knul, die zich in zijn megatractor onaantastbaar voelt.
Ik had twee mannen in mijn tuin. Ze snoeiden de boomgaard alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Dat was het natuurlijk ook, alleen nu even niet. Ik heb me gelaafd aan de geur van vers hout, het gebrul van de kettingzaag en de kameraadschap van twee collega’s die niet thuis hoeven te werken.
Ik moest mijn gevangenschap even ontvluchten. Met de wind in de rug door het Groningerland fietsen. Maakte niet uit waar naar toe, als ik maar buiten was. Ik moest de weidsheid voelen, de geur van klei opsnuiven en de lammetjes in het rond zien springen. Doen alsof alles normaal was, een gewone dag, een gewone fietstocht.