Hoe ouder je wordt, hoe meer ervaring je krijgt met afscheid nemen. Soms in de vorm van een ongewenst einde aan een vriendschap, soms in een eigen keuze om een relatie te beëindigen en in toenemende mate door het verlies van mensen aan de dood. Definitiever kan het niet, ongevraagder ook niet.
Elk overlijden werpt me terug op mezelf. Hoe wil ik leven en hoe wil ik er zijn voor de ander? Het recente overlijden van een goede vriend maakt me duidelijk dat door de nabijheid die we tot het einde met elkaar gedeeld hebben, ik vrede kan hebben met dit onherroepelijke afscheid. Niet dat ik niet verdrietig ben, maar onze vriendschap is voldragen. Alles is gezegd, met of zonder woorden, het is rond.
Dat geeft me een groot gevoel van geluk en dankbaarheid. Zo wil ik leven en zo wil ik afscheid nemen.
Leven is veel leuker, leven is leven. Tot je dood gaat. Daar heb je het weer, dood. Het enige zekere in je leven, op je geboorte na dan. Ik snap ook wel dat eeuwig leven iets te veel van het goede is en dat de aardbol dat niet aan kan, maar 80 jaar leven vind ik echt te kort.
En dan opeens sta ik in de keuken een pakje vet te smelten. Ik gooi er gemengde zaadjes in en laat het afkoelen. Ondertussen hang ik in elk bakvormpje een draadje. Met de bijna-gestolde-zaadjes-in-het-vet vul ik de vormpjes.
Gisteren heb ik hem teruggevonden. Trijntje zong de teksten van haar vader en ze raakten me, zoals ze dat eerder ook deden: “Ken je mij? Wie ken je dan? Weet je mij beter dan ik? Ken je mij? Wie ben ik dan? Weet je mij beter dan ik”?
Verkleumd kwam je thuis, waar moeder de warme chocolademelk klaar had staan. De volgende dag ging je weer en de dag daarna en daarna. Er kwam geen einde aan. Toch is dat gebeurd, ergens ongemerkt is het ijs gaan smelten en smelten. Tot het water besloot nooit meer te bevriezen en schaatsen tot het verleden behoorde.