Kom ik thuis van de avondwandeling met de hond, staat er een uilskuiken voor mijn deur. Eerst denk ik dat het een speelgoed uil is, tot het aandoenlijke, grijze mormeltje in paniek bijna de sloot induikt. De hond denkt dat het een spelletje is en wil er achteraan. Ik kan het nog net voorkomen.

Wat nu? Is het beestje uit het nest gevallen terwijl het nog niet kan vliegen? Moet ik de dierenambulance bellen misschien? Eerst maar eens op Internet kijken. Uit mijn ooghoek zie ik het ransuiltje verwoede pogingen doen in een boom te klimmen en verhip, dat lukt nog ook. Even later zie ik zelfs een grote uil langs vliegen, richting het jong.
Ik leg mijn tablet maar weg. Dit uilskuiken is slim genoeg om zelf een veilig onderkomen te zoeken. Die heeft geen Google nodig.
We groeten elkaar wat ongemakkelijk. Een knikje voor de een, een luchtzoen voor de ander. Alleen de jarige krijgt een knuffel, op afstand. De tuin is groot genoeg voor een feestje met zes mensen.
Voor hond Benthe en poes Floris geldt de anderhalve meter niet. Wel moeten ze allebei op een eigen kussen liggen. Daar zorgt Benthe voor. Ze sleept elke dag het grijze kussen naar buiten voor Floris en neemt zelf haar plek in de deuropening in.
Het virus lijkt verslagen. Nou ja, verslagen. Er zijn mensen (intensivisten, virologen, IC-verpleegkundigen) die zeggen dat het gevaar niet geweken is, dat we voorzichtig moeten blijven, dat de ziekenhuizen een tweede golf niet aan kunnen.
Mijn tennismaatje en ik mochten de baan weer op. Maar wel met anderhalve meter afstand. Op de tennisbaan zelf is dat geen probleem, maar hoe doe je dat als je elkaar maanden niet gezien hebt en samen over een smal pad naar de baan loopt. Dan wil je bijpraten, de ander aankijken en niet tegen een rug aanpraten.