Ik fiets naar de rand van Groningen, daar waar het land de wadden raakt. Daar waar het, in betere omstandigheden, goed toeven is in ’t Zielhoes. Ze zijn het café aan het opknappen, net zoals half Nederland hamer, beitel en verfkwast ter hand neemt.

Ik loop de dijk op en kijk uit over het haventje van Noordpolderzijl. In de verte ligt de zee. Ik kom hier regelmatig, maar ben nog nooit de enige bezoeker geweest. Vandaag wel. De ganzen op de kwelder kijken verstoord op.
Heel stilletjes ga ik op de dijk zitten, tot ze me vergeten zijn. En dan heb ik de wereld even helemaal voor mezelf.
Oh, wat zijn we toe aan het einde van de lockdown. Gooi het land weer open, laat ons weer voetballen, tennissen en op onze motoren over smalle weggetjes racen. Weg met de persconferenties van Rutte en de cijfers van het RIVM, maak plaats voor terrasjes vol mensen in de lentezon.
Ik moet iets ophalen in Appingedam en maak er gelijk een lekkere fietstocht van. Door de weilanden, langs het Damsterdiep, door het middeleeuwse centrum van het stadje en terug met een omweg. Op de fiets geniet ik voor niets. Hoe meer kilometers, hoe beter.
De eerste weken van de lockdown zat ik de hele dag aan mijn tablet gekluisterd. Ik las elke snipper nieuws over de coronacrisis en zag elke persconferentie. Alles wou ik weten, in een verwoede poging om mijn angst over wat ons te wachten stond, te sussen. Het werkte averechts. ‘Geef angst geen thee’ schreef columniste Asha ten Broeke op 20 maart in de Volkskrant. Verdomd, dacht ik, dat is precies wat ik wél aan het doen ben.