Hoe beschrijf je iets wat je nooit eerder hebt meegemaakt. Iets wat je dagelijks leven op zijn kop zet op een manier die je alleen uit films kent. Bij een film kun je nog denken: dit is niet echt, dit zijn acteurs, iemand heeft dit script verzonnen. Wauw, wat goed gespeeld of jeetje, wat slecht.
Hoe verwoord je iets wat niet te zien is, nu de wereld om je heen er nog net zo uit ziet als altijd. Neem mijn tuin. Die is voorzichtig aan het ontluiken, de vogeltjes zingen ’s morgens vroeg, de narcissen bloeien, de lente komt eraan. Zoals elk jaar. Maar toch is het dit jaar anders, er hangt iets in de lucht. Ongrijpbaar, onzichtbaar.
De woorden die ik zoek zijn: ik ben bang.
Kijk ze daar eens liggen. Benthe en Floris hebben nergens weet van, die hebben geen last van het coronavirus. Ze doen wat ze altijd doen, slapen, eten, poepen, knuffelen, spelen, andere poezen wegjagen, een kuil graven in de tuin. Ze hoeven niet zo nodig te socializen, ze hebben genoeg aan zichzelf.
Mag ik de deur nog wel uit nu het coronavirus rondgaat? Mag ik een goede vriendin nog wel een knuffel geven of moeten we een elleboogzoen doen? Heb ik genoeg eten in huis voor de komende twee weken? Dit laatste baart me de meeste zorgen. Want behalve het coronavirus is nu ook de hamsterwoede uitgebroken.
Er waren meer oud-gedienden. Al gauw zaten we ervaringen uit te wisselen, we hadden elkaar vijftien jaar niet gezien. Weemoedig keken we terug op die goeie oude tijd en telden we elkaars rimpels. Het voelde vertrouwd en onwennig tegelijk. We kenden elkaar van vroeger, maar waren in het heden vreemden voor elkaar. Hoe langer we praatten, hoe kleiner de afstand tussen ons werd. We werden weer dat team dat bergen kon verzetten om het mooiste filmweekend van Nederland tot een sukses te maken.