Mijn eerste jaar als moestuinierster zit erop. ‘Begin eenvoudig’ werd mij van alle kanten aangeraden, ‘niet te veel erin zetten’. Aardbeien, courgettes, wat kool, tuinbonen, sla en tomaatjes, meer niet. Mijn tuinfilosofie is al jaren: wat het bij mij in de tuin overleeft mag blijven, de rest heeft pech gehad.

Nu het moestuinseizoen voorbij is, maak ik de balans op. De uitkomst valt me mee, alles heeft het goed gedaan, behalve de sla en de kool. Met uitzondering van die ene bloemkool die aan de kaken van de slakken is ontsnapt. Hoger en hoger is ie gegroeid, in een poging het vege lijf te redden. Dat is hem gelukt, maar eetbaar is hij niet meer.
De bloemkool mag blijven, maar volgend jaar toch maar iets aan mijn tuinfilosofie doen.
Ik heb mijn winterrust zomers, als de schrijfjuf me een paar maanden niet achter de vodden zit. “Je kunt het Ingrid, je kunt het, het hoeft er alleen nog maar uit te komen”. ‘Hoe lang duurt dat nog?’, vraag ik elke les wanhopig. “Je moet gewoon al mijn lessen volgen, dan komt het vanzelf goed”.
De appelbomen laten hun appels vallen, de walnoten houden zich nog krampachtig vast aan hun boom. In het dorp zijn twee nieuwe geiten komen wonen, met vrolijk gemekker begroeten ze elke voorbijganger. Op de aanlegsteiger bij het maar heeft zich een grote ganzenfamilie gevestigd, vier ouders en vijf kinderen. Het lijkt wel voorjaar.
Haar jong, die het nog moet doen met een beginnend kroontje, kijkt nieuwsgierig toe. “Waarom heb je dat gedaan, mama”? “Omdat jullie moeten leren dat je, als je bij de buurvrouw op bezoek gaat, op je pauwbest voor de dag moet komen”.
Vandaag hebben we iets nieuws uitgeprobeerd. Het baasje is voor de gezelligheid ook op het vloerkleed gaan zitten. Benthe zag haar kans schoon. Maar de baas moest wel haar pootjes vasthouden, want in haar eentje liggen vindt ze nog een klein beetje moeilijk.