Een aanstekelijk gesprek

Ik skype met een vriendin. Zij woont in West-Canada, ik in Noord-Nederland. Opeens moet ze heftig niezen, recht in de microfoon. Ik deins achteruit en doe mijn arm voor mijn gezicht, uit angst om besmet te worden. We gieren het allebei uit, afstand houden is al mijn tweede natuur geworden. Ook als het niet nodig is.

We kletsen gezellig verder, af en toe onderbroken door een Canadese nies. Als we op het punt staan het gesprek te beëindigen, voel ik mijn neus kriebelen. Komt daar een nies aan, het zal toch niet waar zijn? Ik knijp mijn neus dicht, maar het mag niet baten. Vijf niezen later zeg ik haar met betraande ogen gedag.

De volgende keer hou ik voor de zekerheid mijn mondkapje op. Maar nu eerst naar de teststraat.

Voor Carla

Met spijt in het hart richt ik mij tot u

Met deze woorden opent Willem Alexander zijn videoboodschap aan het Nederlandse volk. Naast hem op de bank Máxima, van de dochters geen spoor. Behalve spijt in het hart blijkt hij ook pijn te hebben. Waar zegt hij er niet bij. Ik vind het sneu voor de man, maar eigenlijk is dit niet wat ik van hem horen wil.

Ik wil horen dat het hem spijt dat hij zo egoïstisch is geweest om, ondanks de coronabeperkingen, gewoon op vakantie te gaan. Dat hij snapt dat hij ons, gewone stervelingen, daarmee geschoffeerd heeft. Dat, terwijl duizenden Nederlanders in de financiële problemen zitten door de pandemie, hij van onze belastingcenten in Griekenland aan de ouzo is gegaan en dat hij dat NOOIT, maar dan ook NOOIT had mogen doen. Ik wil schaamte zien, schuldgevoel en emotie, met liefst een traan op de wang. Door het stof moet hij gaan, op zijn knieën smeken om weer in genade aangenomen te worden.

Niets van dat al. Als een slechte acteur leest hij koude, nietszeggende woorden voor, geschreven door Rutte vermoed ik. Máxima zit er stijfjes bij en weet niet zo goed waar ze kijken moet, naar ons of naar haar echtgenoot. Ook bij haar geen schaamte, geen traan.

Jammer dat ze ons deze wanvertoning niet bespaard hebben door lekker in Griekenland te blijven. Ik heb mijn hoop nu gevestigd op hun volgende vakantie: met de hele familie skiën in Lech.

De tweede golf

Als kind kwam ik vaak op het strand. Soms was de zee zo glad als een spiegel. Maar dat was de uitzondering, meestal was het water zichtbaar in beweging, kleinere of grotere golven zochten in een eindeloze opeenvolging het strand op. Door al die uren aan zee heb ik geleerd dat een golf nooit alleen komt. Ze zijn altijd met meer en zwakken pas af als de wind afneemt.

Ik denk dat de leden van onze regering als kind te weinig op het strand zijn geweest. Anders hadden ze op tijd geweten dat als de wind nog niet is gaan liggen, er na een eerste golf altijd een tweede komt.

Ik herinner me

hoe ik bijna een jaar geleden mijn verjaardag vierde met een groot tuinfeest. Het had ook een huisfeest mogen zijn, want van corona was nog geen sprake. Er werd geknuffeld, gezoend en gezongen. Onbevreesd waren we en ons van geen aanstormend kwaad bewust.

Ik herinner me de onbezorgdheid, dichtbij elkaar zittend taartjes eten, drinken uit andermans glas, een arm om een schouder, een hand door iemands haar, een kleinkind op schoot. We kenden geen angst voor elkaar.

Dit jaar vier ik mijn verjaardag niet. Geen tuinfeest, geen huisfeest. Ik doe het met de herinneringen aan vorig jaar. Daar kan ik nog wel een jaartje extra op teren, maar langer liever niet.