Alles in mij schreeuwt: nee, nee! Niet het land weer open doen, niet naar de kapper, masseur of nagelstudio, laat de dierentuinen en musea dicht, stop de treinen en blijf thuis.
De eerste weken van de lockdown was ik bang. Die angst voel ik nu weer. Het gaat allemaal veel te snel, het virus is nog onder ons. De eerste hobbel is genomen, de curve afgeplat. Maar er is nog geen vaccin, er zijn nog geen medicijnen. Mijn lieve schoonzus woont in een verpleeghuis waar corona heerst, ik hou mijn hart vast. En dan zou ik nu de teugels al laten vieren, terwijl zij… Nee, nee, nee, ik doe hier niet aan mee.
Ik laat mijn haar gewoon verwilderen en ik hoef die schattige pandababy niet te zien. Geen terrasjes voor mij, geen bioscoop of tattooshop. Ik wil nog niet, ik ben er nog niet klaar voor. Ik hou mijn wereld klein en blijf in lockdown. Of dat nou intelligent is of niet.
Ik fietste liever in mijn eentje door het dorp, dan samen met mijn vader en moeder thuis te blijven. Thuis, waar ik me op 4 mei meer alleen voelde dan ooit. Pas jaren later begreep ik hun zwijgen, begreep ik het leed dat er onder schuil ging. En kon ik rouwen om de eenzaamheid waar we als gezin in gevangen zaten.
Ze vertelt fragmenten, schetst de contouren van de verschrikkingen en schampt rakelings langs haar pijn. Af en toe stel ik een voorzichtige vraag, vaker luister ik alleen maar. De oorlog is in haar nog aanwezig alsof het gisteren was. Nu ze steeds dichter bij het einde van haar leven komt, wordt het begin steeds feller belicht. De enige troost die ik haar kan bieden is een luisterend oor.
Na weken blauw eindelijk weer eens wakker geworden met grijs. Vannacht kletterde de regen op het dak, het water overstroomde als vanouds de dakgoot. Het werd tijd ook.