Als de wereld nog stil en in donker gehuld is, sta ik op. Ik nestel me op de bank met uitzicht op de ontwakende tuin. In de verte branden de rode lampen van de windmolens bij Delfzijl. Die slapen nooit. Poes Floris komt thuis van zijn nachtelijke avonturen en begroet zijn maatje Benthe. Pas daarna ben ik aan de beurt.
Het klepperen van de brievenbus kondigt de komst van de krant aan. Ik verlies me. Een uur later kijk ik op en heeft het daglicht de nacht verdreven. De treurwilg steekt scherp af tegen de lichtgrijze wolken, de hond wil naar buiten.
Ik ben klaar om voor de dag te komen.

Niet omdat ik een hekel heb aan deze dagen, integendeel. Houtkacheltje aan, filmpje op, glaasje wijn erin. Waarbij voor mij niet de kerstmaaltijd maar het goede gezelschap centraal staat. Het eten is bijzaak, ook van een lekkere stamppot word ik blij.
Ik heb me erop gekleed: kaplaarzen, regenbroek, regenjas aan. Hond Benthe hoeft geen regenkleding, hij is op alle weersomstandigheden voorbereid. Als er maar gewandeld wordt, daar gaat het om. Hij rent van hot naar her, op zoek naar muizen. Elk holletje wordt uitgegraven, meestal zonder resultaat.
De bruine ruigte van de heide in de herfst. Her en der een boom, niet te veel. Nu en dan een mens, niet te vaak. Schapen in de verte, zonder herder. Een hekje dat dichtklapt, de schrik in de ogen van een hond.