Er zijn van die dagen dat ik de deur niet uit wil. Dan heb ik een thuisdag. Een dagje niets hoeven, niets doen. Gewoon een beetje aanrommelen, boekje lezen, theetje drinken, uiltje knappen. Gisteren had ik zo’n dag.

‘S avonds maakte ik de balans op. Ik had:
- het gras gemaaid
- twee wassen gedraaid en opgehangen
- twee wassen afgehaald en opgeborgen
- mijn kamer opgeruimd
- twee telefoontjes gepleegd
- de krant gelezen
- de krant nog een keer gelezen
- afwasmachine gevuld en leeggehaald
- winde en kleefkruid getrokken
- de poes geknuffeld
- thee gedronken
- ramen gelapt
- gekookt
Heerlijk zo’n dagje ‘bie hoes’.
Het gaat de hele dag door, wat moet het spechtengezin moe zijn. Zal ik een pannetje soep voor ze maken, zodat de ouders een dagje vrij hebben? Een lekker soepje van insecten, larven, rupsjes en kevertjes. Allemaal in mijn tuin voorradig, dus zonder CO2 uitstoot. Nou maar hopen dat ze het lekker vinden of is dit te menselijk gedacht?
Gevolg: ik heb al vijf keer verloren met Memory en dat gaat je niet in je koude kleren zitten, vooral niet als je van een vierjarige verliest. De voetbal is al minstens drie keer in de vijver gevallen en wie moet hem eruit halen? De inhoud van de spelletjeskist ligt door het hele huis verspreid. Opruimen, ho maar! Winkeltje spelen vinden ze het leukst, met echte centjes (ja, die bestaan nog) koop ik denkbeeldige ijsjes, tot ik er buikpijn van krijg. En dan moet er tussendoor ook nog gedronken, gesnoept en gehuild worden.
Als ik haar kamer binnenkom, kijkt ze verbaasd op. De blik in haar ogen zegt: wie ben jij? Het duurt even voor ze me herkent. “Wat ben je vroeg, ik had je nog niet verwacht.” Ze zit op de bank en eet een gebakje. Er is slagroom op haar broek gevallen. Ze probeert op te staan om me te begroeten, het schoteltje glijdt op de grond. Ik loop snel naar haar toe en geef haar een zoen. “Blijf maar zitten, ik ruim het wel op”.