
De taal van de angst

Doorkijkjes: een blik op het leven, geschreven op een Groninger wierde. Door Ingrid Verbeek
Blogs over wat mij verbaast, verrast, beroert of zomaar wat voor de leuk.

Ze heeft een pop

Die heet Annabel
Ze heeft een poppenwagen
Die staat naast papa’s auto
Papa gaat een afdak maken
Om Annabel droog te houden
Als die een middagslaapje doet
In de poppenwagen
Naast papa’s auto
Ik krijg per post een bedankkaart na het overlijden van mijn tante. Achterop de kaart staat een recept ‘voor de lekkerste Jan Hagel!’ Het is geschreven in het handschrift van mijn tante. Het was haar lievelingsrecept en iedereen die haar kende wist hoe lekker ze waren.

Voorop de kaart staat een foto van haar. Een foto die haar weer heel dichtbij brengt. Ja, zo is ze, zo ziet ze eruit. Oh nee, zo zag ze eruit. Ze is er niet meer. Even raak ik in de war. Ik weet heus wel dat ze overleden is, maar tegelijkertijd verwacht ik elk moment een telefoontje van haar. Waarin ze opgewekt als altijd vraagt hoe het met me is en zij vertelt over de kleinkinderen die bij haar op bezoek zijn geweest en hoe die genoten hebben van haar Jan Hagel koekjes.
En dat ik dan zeg: oh, die vind ik ook zo lekker. Bak je ze de volgende keer dat ik er ben ook?
En dat zij dan zegt: ja, natuurlijk. Wanneer kom je?
En dat ik dan…
En dat ze dan nooit dood gaat.
Afgelopen weekend was de jaarlijkse nationale tuinvogeltelling. Ik zat er helemaal klaar voor. Kopje thee en notitieblokje bij de hand. Vogelgidsje op tafel. Na vijftien minuten had ik nog geen vogel gezien, op één specht na. Je mag maximaal een half uur tellen, dus ik begon hem te knijpen en gooide snel nog wat extra voer op het gras.
Wachten. Nog steeds geen vogel te zien, op één specht na. Normaal is het in mijn tuin een komen en gaan van huismussen, merels, koolmeesjes, kraaien, eksters, spechten, vinkjes, keepjes, pimpelmeesjes en roodborstjes. Na een half uur gaf ik het op. Geen enkele tuinvogel geteld, op die ene specht na.
Maar die telde niet mee. Want uitgerekend die is niet echt.

Het waait dat het stormt
De takken van de wilgen houden dapper stand
Als je lenig bent, knap je niet zo gauw
De wilg in mij is ver te zoeken
Ergens onderweg ben ik hem kwijtgeraakt
En wat weg is blijft meestal weg
Als het waait dat het stormt
Maar misschien is dat wel helemaal niet erg