Als ik wandel over het Groninger land, kijk ik vaak naar boven. Om me heen is toch niet zoveel te zien, wat boerderijen, kleine dorpjes, kerkjes, koeien en veel akkerland. Het land is leeg en ruim, de horizon ver weg en soms kun je de zeelucht ruiken. De waddenkust is vlakbij.
Als ik wandel door dit oude land kan ik niet anders dan omhoog kijken. Want daar gebeurt het, daar is een meester de hemel aan het beschilderen. In de lucht worden verhalen verteld, ruzies uitgevochten, stormen aangekondigd, lief gehad, gefluisterd, donderpreken afgestoken, klappen uitgedeeld, vredes gesloten. Met fijne pennestreken, potloodlijnen, grove viltstiften en harde mokerslagen wordt het grondse leven becommentarieerd.
Als ik wandel onder de hemel boven Groningen voel ik me opgenomen in dat wat groter is dan ikzelf. Ik voel me veilig, want de lucht liegt niet. De lucht laat zien wat er is of wat er komen gaat. Daardoor weet ik waar ik aan toe ben. En dat vind ik hemels.


Algauw is de woonkamer veranderd in een naaiatelier. Overal naalden en draden, maar vooral het zacht snorrende geluid van de naaimachine. Klassiek muziekje erbij en ik waan mij terug in mijn ouderlijk huis. Vader leest de krant, moeder verstelt de kapotte onderbroeken, want die moeten nog een tijdje mee. Ik vul de kolenkachel bij en speel Memory met mijn zusje, zij wint. Moeder heeft ons chocolademelk beloofd.