Lelijk eendje

Ik kocht ze toen ik in een dorp ging wonen met een eigen ijsbaan. Eigenlijk ben ik niet zo van het schaatsen, mijn enkels gaan pijn doen en mijn bochtentechniek is afwezig. Een beetje krabbelen over het ijs, meer is het niet. Maar ik wou me niet laten kennen. Al mijn nieuwe dorpsgenoten op het ijs en ik niet, dat was geen goed begin.

Ik kwam er al snel achter dat ik het lelijke eendje van de ijsbaan was. Links en rechts werd ik ingehaald. Tijd voor een kennismakingspraatje was er niet, behalve als ik weer eens een smak op het ijs maakte, dan lieten mijn nieuwe dorpsgenoten zich van hun aardigste kant zien. Na drie dagen op de ijsbaan kende ik iedereen en iedereen kende mij.

Mijn schaatsen konden weer uit. Missie geslaagd.

Sneeuwneus

Als ik Benthe door de keukendeur de tuin in laat gaan, blijft ze eerst op de drempel staan. De wind staat recht op de deur en waait poedersneeuw op haar kop. Ze aarzelt even en zet dan voorzichtig een stap naar buiten. Ze neemt een hap uit de sneeuw, keurt het en zet het op een rennen. Als een dolle stier sjeest ze door de tuin. Dit is leuk, dit is feest.

Na een kwartier roep ik haar binnen. In plaats van te komen daagt ze me uit met haar te spelen. “Baasje, ik wil achter sneeuwballen aanrennen, doe je mee?” Maar baasje vindt het te koud, baasje is niet zo stoer.

Ze schudt de sneeuw van haar neus en begint aan haar volgende renrondje. Die komt vandaag niet meer binnen.

Rollator

Als ik de kleine wachtkamer van de polikliniek binnenkom zitten er al vijf mensen. Het is vijf over elf, ik ben precies op tijd. Toch zal ik nog lang niet geholpen worden, want eerst moet er uitgebreid gedruppeld worden. Door de praatgrage verpleegkundige. Niet alleen bij mij, maar ook bij de anderen. In deze wachtkamer wordt alleen gedruppeld en gepraat.

Er ontstaat een levendig gesprek tussen de grijze, kromgebogen vrouw met aftandse rollator en de verpleegster. De wielen van haar rollator zijn tot op de velg versleten, maar ze wil geen nieuwe: ‘Ik loop er zo lekker achter’. Het liefst zou ze het even voordoen, maar de wachtkamer is te klein om op veilige afstand een rondje te lopen. We geloven haar zo wel.

Om beurten brengt de verpleegkundige ons naar de behandelkamer. Daar staat de arts klaar. De een is langer binnen dan de ander, maar voor iedereen geldt dat ie er wat bleekjes weer uit komt. Met een snelle groet en ‘sterkte’ verlaat de overlevende van de behandeling zo snel mogelijk de polikliniek. Gezellige praatjes worden pas over een maand weer gemaakt.

Zoute haring

De kerk is voor driekwart leeg, veel mensen durfden niet te komen en kijken thuis via de stream mee. De afscheidsdienst is er niet minder aangrijpend door. Ook met weinig mensen kunnen veel dierbare herinneringen gedeeld worden.

Na afloop wordt er gecondoleerd en staan er broodjes en snacks klaar. Er is veel te veel voor de weinige aanwezigen, dus de dames van de catering lopen steeds opnieuw langs met schalen vol lekkers. Toastjes filet americain, garnalencocktail en vlammetjes. Eten moeten we of we willen of niet.

Als ze tot slot ook nog langskomen met in mootjes gesneden haring met een prikkertje erin, benijd ik de mensen die thuis veilig achter de stream zitten: zij hoeven niet bang te zijn dat hun tranen naar haring gaan smaken.

Sporen

Ik laat de hond uit in een witte wereld. Er zijn me al wat mensen, honden en fietsen voorgegaan. De pootafdrukken aan de rechterkant van de weg zijn van Benthe. Die herken ik uit duizenden.

Ik loop vaak over deze weg, hij brengt me naar het weiland waar Benthe vrij kan rondrennen. We hebben samen al heel wat schoen- en pootafdrukken achtergelaten. De meeste onzichtbaar, behalve als er modder op de weg ligt.

Zodra de sneeuw gesmolten is, zijn de sporen verdwenen. Of zou de aarde onthouden wie hier gewandeld, gefietst en gerend hebben? Misschien blijven onze sporen wel bestaan, ook als we er niet meer zijn. Een troostrijke gedachte.

Voor Loes