De bel gaat, Benthe en ik doen wie het eerste bij de deur is. Benthe wint. Met moeite hou ik haar bij haar halsband tegen en open ik de deur. Er staat een man met een bos bloemen in zijn handen. Opnieuw ontstaat er een strijd tussen Benthe en mij: we willen het boeket allebei hebben. Deze keer win ik.
Waarom krijg ik vandaag bloemen? Ik ben niet jarig en ook niet geslaagd voor mijn eindexamen. Ik heb niemand helpen verhuizen en mijn laatste goede daad is ook alweer van een tijdje geleden. Dus waarom en van wie?
De man weet het ook niet, hij is alleen maar de bezorger van de verrassing. Het kaartje brengt uitkomst. Een goede vriendin laat me weten dat ze aan me denkt. Niet om het een of ander, maar zomaar.
De tranen springen in mijn ogen, Benthe kruipt dicht tegen me aan.
Het is druk in het dorp. Auto’s en fietsen rijden af en aan, allemaal op weg naar het dorpshuis om te stemmen. Ik ga te voet en Benthe gaat mee. Het zijn haar eerste verkiezingen en ze staat te popelen om erbij te zijn. We melden ons bij de drie heren achter de tafel. “Uw hond mag niet mee naar binnen”, krijg ik op barse toon te horen. Verstijfd van schrik ploft Benthe op de grond, hier is ze niet op voorbereid. Met het puntje van haar staart doet ze nog een dappere poging de heren over te halen, maar tevergeefs.
