Ik begrijp er helemaal niets van. Waarom heeft die mevrouw in die witte jas zo’n grote spuit in haar hand. Waarom komt ze steeds dichterbij en pakt ze me in mijn nekvel. Nee, dit wil ik niet, ik wil weg. Au, blijf van me af. Waarom doet mijn baasje niets? Wat gebeurt er?
En nou stuurt die mevrouw in die witte jas mijn baasje ook nog weg. “We bellen u straks”, is het laatste wat ik haar hoor zeggen. Daarna moet ik in slaap gevallen zijn.
Als ik wakker word, weet ik niet waar ik ben. Ik lig in een kooi, in mijn eentje. Ik besluit zachtjes te gaan janken, misschien komt er dan wel iemand, als het maar niet die witte jas is. Er verschijnt een groene jas, die me vraagt hoe het met me gaat. Wat dacht je, denk ik bij mezelf, ik heb pijn in mijn buik en de wereld draait om me heen.
Gelukkig komt mijn baasje de kamer in. ‘Je bent een grote hond, je mag mee naar huis’. Persoonlijk was ik liever een kleine hond gebleven, die geen reu van een teef kan onderscheiden. Want precies daarom lig ik nu thuis zielig te zijn, met drie kleine sneetjes in mijn buik.
Als ik met mijn maatje dans, loopt het vaak op ruzie uit. ‘Ik heb de leiding, dat hebben we toch afgesproken?’ “Ja, maar jij hebt geen ritmegevoel en je trapt altijd op mijn tenen”. Onze dans is meestal al voorbij voor hij echt begonnen is.
Natuurlijk moet er ook gewandeld worden. Kleindochter E. wil de lijn vasthouden. Mag dat? Ja, dat mag. Even hou ik mijn hart vast als ik Benthe het voortouw zie nemen. Is ze niet te sterk voor zo’n klein meisje, gaat dit wel goed?Ja, het gaat goed, Benthe gedraagt zich voorbeeldig. Ben ik hier getuige van een eerste verliefdheid?
Het is hun eerste ontmoeting. Tijn, veertien jaar oud en Benthe tien maanden jong. Ondanks hun leeftijdsverschil klikt het gelijk. Ze scharrelen samen door de tuin, de jeugd voorop. Bij het uitrusten houdt Benthe de wacht.