In de trein kom ik in gesprek met twee jonge mannen. Ze zijn op weg naar Stad, met een biertje in de hand. Het is elf uur in de ochtend. Ik ga ook naar Stad, zonder bier. Ik ben op weg naar niets vermeldingswaardigs (de opticien), zij zijn op weg naar iets spectaculairs (in mijn ogen dan): de tattooshop. De ene man is al met tattoos bekleed, de andere is zonder.
De man mét wil er nog een tattoo bij hebben, vertelt hij. Hij laat vandaag de handjes en voetjes van zijn dochtertje op zijn arm zetten en heeft daar vier uur voor uitgetrokken. Zijn vriend gaat ondertussen nieuwe kleren kopen en daarna duiken ze samen de kroeg in.
‘Daar zal je dan wel aan toe zijn’, merk ik op, ‘zo lang geprikt worden doet vast veel pijn’. “Valt wel mee”, is het antwoord en hij graait een nieuw biertje uit zijn tas.
Zijn maat geeft me een knipoog. Wij, mensen zónder, wij begrijpen elkaar.
Vanochtend vroeg hebben we Benthe verrast met een heerlijke kluif. Maar dat was niets vergeleken bij het kado dat ze van de poes kreeg: ze mag vanaf nu samen met Floris in de mand liggen. Ik denk dat we de verjaarsvisite wel af kunnen bellen, Benthe verzet vandaag geen poot meer.
Ik ben er denk ik te nuchter voor of te hitte-bevangen, het boeide me in ieder geval niet. Voor Maarten van der Weijden is het vast een grote stap, voor het onderzoek naar kanker een kleine. Vier dagen media aandacht voor een man met een overleversschuld, hoeveel heeft dat wel niet gekost en hoeveel onderzoek had daarvan wel niet gedaan kunnen worden.
De bel gaat, Benthe en ik doen wie het eerste bij de deur is. Benthe wint. Met moeite hou ik haar bij haar halsband tegen en open ik de deur. Er staat een man met een bos bloemen in zijn handen. Opnieuw ontstaat er een strijd tussen Benthe en mij: we willen het boeket allebei hebben. Deze keer win ik.
Ik ben nu op de helft van mijn lijstje en het is al bijna vier uur. De tijd begint te dringen, het tuinafval lukt niet meer, de bibliotheek misschien nog net, voor Ronald Garros moet ik om half zes weer thuis zijn en mijn vriendin heeft al gebeld waar ik blijf. Dat wordt rennen.