De dagen tussen kerst en oud & nieuw zijn wat onbestemd. Een beetje op de bank hangen en tv kijken. Ik blijf steken bij het programma ‘Jacobine op zondag’, waar Huub Oosterhuis samen met dochter Trijntje geïnterviewd wordt. In mijn studentenjaren ging ik wel eens naar een oecumenische dienst waar liederen van Huub gezongen werden. Zijn teksten hielpen mij mezelf en de wereld om me heen beter te begrijpen. Daarna ben ik hem uit het oog verloren.
Gisteren heb ik hem teruggevonden. Trijntje zong de teksten van haar vader en ze raakten me, zoals ze dat eerder ook deden: “Ken je mij? Wie ken je dan? Weet je mij beter dan ik? Ken je mij? Wie ben ik dan? Weet je mij beter dan ik”?
Ik denk aan mijn eigen vader, die mij kende voor ik mezelf kende. Die er altijd was als ik even niet meer wist wie ik was, die me dan beter wist dan ik. Hij is er niet meer, maar gisteravond voelde ik zijn aanwezigheid alsof hij naast me op de bank zat.
Verkleumd kwam je thuis, waar moeder de warme chocolademelk klaar had staan. De volgende dag ging je weer en de dag daarna en daarna. Er kwam geen einde aan. Toch is dat gebeurd, ergens ongemerkt is het ijs gaan smelten en smelten. Tot het water besloot nooit meer te bevriezen en schaatsen tot het verleden behoorde.
Senior ben ik en dat gaat nooit meer over. Maar grijs ben ik niet. G
Het klepperen van de brievenbus kondigt de komst van de krant aan. Ik verlies me. Een uur later kijk ik op en heeft het daglicht de nacht verdreven. De treurwilg steekt scherp af tegen de lichtgrijze wolken, de hond wil naar buiten.