Het uilskuiken is al een paar dagen terug op het ouderlijk nest. ’s Nachts maakt het herrie voor twee. Zo te horen heeft het een broertje of zusje. Maar die durft nog niet uit het nest te klimmen.
Zodra het gaat schemeren nemen de uilen de tuin over. Overdag hoor je ze niet, alleen moeders (of vaders) waakt in een hoge boom en kijkt je streng aan als je langs loopt. ‘Stil, maak mijn kinderen niet wakker’, zie je haar denken. Braaf hou ik mijn kaken stijf op elkaar.
Dat doen zij op hun beurt niet, ’s nachts dan. De uilskinderen laten met hoge schrille kreten weten dat ze honger hebben. De ouders reageren met geruststellende chachacha geluiden: ‘We komen eraan’. In de loop van de vroege ochtend hoor je het ouderpaar steeds geïrriteerder worden: ‘Nee, nou hebben jullie genoeg gegeten, hup tanden poetsen en naar bed’. De kinderen protesteren nog lang.
Dit alles speelt zich af in de bomen vlakbij mijn slaapkamer. Mijn nachtrust wordt erdoor verstoord, maar dat deert me niet. Ik voel me een geluksvogel dat mijn slaap begeleid wordt door de huiselijke geluiden van een uilenfamilie.
Ik waan me terug in mijn ouderlijk huis.

We groeten elkaar wat ongemakkelijk. Een knikje voor de een, een luchtzoen voor de ander. Alleen de jarige krijgt een knuffel, op afstand. De tuin is groot genoeg voor een feestje met zes mensen.
Voor hond Benthe en poes Floris geldt de anderhalve meter niet. Wel moeten ze allebei op een eigen kussen liggen. Daar zorgt Benthe voor. Ze sleept elke dag het grijze kussen naar buiten voor Floris en neemt zelf haar plek in de deuropening in.
Het virus lijkt verslagen. Nou ja, verslagen. Er zijn mensen (intensivisten, virologen, IC-verpleegkundigen) die zeggen dat het gevaar niet geweken is, dat we voorzichtig moeten blijven, dat de ziekenhuizen een tweede golf niet aan kunnen.