Het scheelt niet veel of de tractor rijdt me klem tegen de brugleuning. Ik geef een brul en sla met mijn vuist tegen de aanhanger. Ik zie nog net dat de bestuurder jong is, waarschijnlijk de zoon van de boer. Onverstoorbaar rijdt hij door.
Zijn rea
ctie staat in schril contrast met de zorgzaamheid en vriendelijkheid die ik overal om me heen ontmoet. Iedereen houdt rekening met iedereen en zorgt dat de ander genoeg ruimte heeft om boodschappen te doen of een brug over te fietsen. Behalve deze jonge knul, die zich in zijn megatractor onaantastbaar voelt.
Ver boven het gepeupel verheven, waant hij zich God in Coronaland.
Ik had twee mannen in mijn tuin. Ze snoeiden de boomgaard alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Dat was het natuurlijk ook, alleen nu even niet. Ik heb me gelaafd aan de geur van vers hout, het gebrul van de kettingzaag en de kameraadschap van twee collega’s die niet thuis hoeven te werken.
Ik moest mijn gevangenschap even ontvluchten. Met de wind in de rug door het Groningerland fietsen. Maakte niet uit waar naar toe, als ik maar buiten was. Ik moest de weidsheid voelen, de geur van klei opsnuiven en de lammetjes in het rond zien springen. Doen alsof alles normaal was, een gewone dag, een gewone fietstocht.
komen, tijdens het uurtje voor ouderen’. Beter van niet, denk ik bij mezelf, die oudjes zijn het ergste, die komen heel dicht tegen je aan staan om een praatje te maken. Ze mogen thuis geen bezoek meer ontvangen, dus ze grijpen in de winkel hun kans.